C-546/14 Degano Trasporti

Contentverzamelaar

Terug C-546/14 Degano Trasporti

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   13 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   13 maart 2015
Trefwoorden: btw (vereffening na faillissement)

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Verzoekster verkeert in betalingsmoeilijkheden. Zij heeft met haar schuldeisers een in de ITA faillissementswet geregeld ‘preventief akkoord’ gesloten tot vereffening van haar vermogen. Zij heeft haar schuldeisers weinig te bieden. Ook de Staat is schuldeiser (btw), die valt onder de bevoorrechte schuldeisers maar ook die worden in verzoeksters opzet slechts mondjesmaat bedacht.
De ITA regeling van de insolventieprocedure is bedoeld om een alternatief te bieden voor de faillietverklaring. Het is dan mogelijk ook aan bevoorrechte schuldeisers gedeeltelijke betaling aan te bieden “indien een onafhankelijke deskundige verklaart dat hun in geval van faillissement van de ondernemer geen betere behandeling ten deel zou vallen”. Dit ter beoordeling van de rechter in een procedure waarbij alle schuldeisers worden opgeroepen. De regeling geeft de mogelijkheid met de belastingdienst een ‘fiscale vaststellingsovereenkomst’ aan te gaan. Echter, heffingen die eigen middelen van de EU betreffen zijn van de regeling uitgesloten.

Er is een ontsnappingsclausule opgenomen die volgens de verwijzende ITA rechter, citerend uit rechtspraak van het ITA Hof van Cassatie, mogelijk strijd oplevert met EU-recht. In onderhavige zaak heeft verzoekster geen voorstel voor een fiscale vaststellingsovereenkomst met de schatkist gedaan, waardoor de btw-schuld aan de Staat slechts gedeeltelijk zal worden voldaan. Verzoeksters beroep kan dan ook niet slagen indien de EURregels worden gevolgd. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of het verbod voor de EULS om af te zien van de vaststelling en de inning van btw-vorderingen ook het verbod meebrengt in de regeling voor de aansprakelijkheid van de schuldenaar met zijn vermogen in geval van insolventie voorschriften op te nemen die de schuldenaar toestaan een preventief akkoord voor te stellen, en de meerderheid van schuldeisers om dat akkoord goed te keuren, dat inhoudt dat een deel van de btw-vorderingen wordt betaald dat niet kleiner is dan in geval van faillissement. Hij legt het HvJEU onderstaande vraag voor:
„Dienen de beginselen en voorschriften van artikel 4, lid 3, VEU en van richtlijn 2006/112/EG van de Raad, zoals uitgelegd in de arresten van het Hof van Justitie van 17 [juli] 2008 in zaak C-132/06, 11 december 2008 in zaak C-174/07 en 29 maart 2012 in zaak C-500/10, tevens aldus te worden uitgelegd dat een nationaal voorschrift (en daarmee, in het onderhavige geval, een uitlegging van de artikelen 162 en 182 ter, Legge fallimentare) daarmee onverenigbaar is indien, op grond daarvan, een voorstel voor een preventief akkoord dat inhoudt dat de btw-vordering van de Staat na vereffening van het vermogen van de schuldenaar slechts gedeeltelijk wordt betaald, toelaatbaar is wanneer geen gebruik wordt gemaakt van een fiscale vaststellingsovereenkomst en naar verwachting – op basis van de vaststelling van een onafhankelijke deskundige en na een formele toetsing door het Tribunale – in geval van vereffening in faillissement geen groter deel van die schuld zou worden voldaan?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-132/06; C-174/07 en C-500/10
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten