C-553/13 Statoil Fuel & Retail

Contentverzamelaar

Terug C-553/13 Statoil Fuel & Retail

Prejudiciële hofzaak
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 december 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   12 januari 2014
Schriftelijke opmerkingen:                   12 februari 2014
Trefwoorden: btw; accijns

Onderwerp:
-Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1);
- Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (Pb L 9 van 14.1.2009 )

De EST Stad Tallinn (verweerster) voert in december 2009 bij verordening (nr 45) een accijns in. Verzoekster handelt in vloeibare brandstoffen. Zij doet aangifte van omzet van goederen en diensten over juni 2010 zonder rekening te houden met btw en de nieuwe accijns. Zij levert later een verbeterde opgave en dient vervolgens een verzoek in tot terugbetaling van de accijns. Dit verzoek wordt afgewezen en verzoekster moet over het volgende kwartaal meer accijns betalen. Het doel van de accijnsverhoging is openbaar personenvervoer te stimuleren en verkeersbelasting in de stad te verminderen. Verweerster ziet in de verordening geen strijd met btw- of accijnsrichtlijn.
Deze procedure herhaalt zich nog enkele malen, ook nadat verzoekster in november 2010 beroep heeft aangetekend omdat zij meent dat verordening 45 in strijd is met de EST grondwet en met EU-recht. Verzoekster wordt in het gelijk gesteld (de bezwaarprocedures tegen de accijnsbetalingen moeten opnieuw). De rechter constateert dat EST de accijnsrichtlijn niet correct heeft omgezet omdat in de nationale regelgeving niet uitdrukkelijk is bepaald dat bij de heffing van in het bijzonder accijns, op accijnsgoederen deze belasting een ‘specifiek doeleinde’ moet dienen. Dit laatste mag volgens rechtspraak van het HvJEU ook voortvloeien uit een andere rechtshandeling dan de handeling waardoor de belasting is ingevoerd. Maar de rechter meent dat in casu het doel niet overeenkomt met het in de RL vereiste ‘specifieke doeleinde’.

De verwijzende EST rechter vindt geen duidelijk antwoord op zijn vragen in de rechtspraak en de standpunten van partijen. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Kan de financiering van de dienst van het openbare personenvervoer in het gebied van een territoriaal publiekrechtelijk lichaam worden aangemerkt als een specifiek doeleinde in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van de Europese Unie, wanneer de uitvoering en financiering van een dergelijke taak tot de verplichtingen van het plaatselijke publiekrechtelijke lichaam behoort?
2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van de Europese Unie dan aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling krachtens welke een indirecte belasting wordt geheven op de verkoop van een accijnsgoed aan de eindverbruiker, welke belasting uitsluitend wordt gebruikt voor de dienst van het openbaar personenvervoer, wanneer de dienst van het openbaar personenvervoer een verplichting is van het tot belastingheffing bevoegde plaatselijke publiekrechtelijke lichaam, welke verplichting onafhankelijk van een dergelijke indirecte belasting moet worden uitgevoerd, en de hoogte van de financiering uiteindelijk niet automatisch uit de omvang van de ontvangen belasting voortvloeit, aangezien de hoogte van het voor de financiering van de dienst van het openbaar personenvervoer beschikbaar gestelde bedrag nauwkeurig is vastgelegd, zodat, wanneer de opbrengsten uit de indirecte belasting hoger zijn, er door de overheid in dezelfde mate minder andere financiële middelen voor de dienst van het openbaar personenvervoer ter beschikking worden gesteld, en omgekeerd, wanneer er minder accijns binnenkomt, het plaatselijke publiekrechtelijke lichaam de andere financiële middelen voor de dienst van het openbaar personenvervoer in dezelfde mate dient te verhogen, het bij belastingopbrengsten die afwijken van de prognose niettemin mogelijk is de hoogte van de uitgaven voor de dienst van het openbaar personenvervoer door een wijziging van de begroting van het plaatselijke publiekrechtelijke lichaam te wijzigen?
3. Indien bovenstaande vraag bevestigend wordt beantwoord, dient artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van de Europese Unie dan aldus te worden uitgelegd, dat het met deze bepaling in overeenstemming is om op een accijnsgoed ook nog een indirecte belasting te heffen waarvan de bestemming na het ontstaan van de plicht tot betaling van deze belasting wordt vastgelegd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-491/03 Hermann; Gevoegde Zaken C-165/09 C-166/09 en C-167/09 Stichting Natuur en Milieu e.a.; C-82/12 Transportes Jordi Besora;
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten