C-559/14 Meroni

Contentverzamelaar

Terug C-559/14 Meroni

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   03 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   20 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   20 maart 2015
Trefwoorden: EEX (Brussel I verordening); handvest grondrechten

Onderwerp
- Handvest grondrechten (eigendomsrecht; recht op eerlijk proces);
- Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken („Brussel I-verordening”)

De republiek Letland heeft van de VK High Court of Justice een verzoek tot uitvoerbaarverklaring ontvangen voor bevriezing van tegoeden van diverse bedrijven. Het verzoek is gedaan door een op de Britse Maagdeneilanden gevestigde onderneming, verweerster Recoletos. Er is reeds in 2011 een verzoek om tenuitvoerlegging gedaan waarvoor een prejudiciële vraag aan het HvJEU is voorgelegd die bij beschikking van 5 juni 2014 is afgedaan (= C-350/13 Antonio Gramsci Shipping e.a.). Omdat het bevel tot conservatoir beslag in de onderliggende zaak inmiddels was ingetrokken oordeelde het HvJEU in die zaak dat de vragen hypothetisch waren geworden en dat het derhalve geen uitspraak behoefde te doen. De verwijzende rechter werd wel uitgenodigd in voorkomend geval opnieuw een vraag aan het Hof voor te leggen, hetgeen in deze zaak geschiedt. Het gaat nu om beslaglegging op goederen van (natuurlijk persoon) Aivars Lembergs waarvoor (onder meer) verzoeker bewaarnemer is. De LET rechter heeft uitvoering van het bevel voor het deel dat betrekking heeft op Aivars Lemberg uitvoerbaar verklaard. Verzoeker maakt daartegen bezwaar omdat uit het bevel tot bevriezing blijkt dat hiermede belangen van derden die geen partij zijn in het (in VK gevoerde) aanvankelijke geding worden geschaad, namelijk twee familieleden van Lembergs aan wie het recht wordt ontzegd om in hun bezit zijnde aandelen die onderdeel van het beslag zijn geworden te vervreemden, maar hij wordt in het ongelijk gesteld. De zaak ligt nu voor bij het LET Hooggerechtshof. Gezien de doelstelling van de Brussel I-Vo (zoals door het HvJEU onder meer uitgelegd in C-167/08) en de noodzakelijke restrictieve uitleg is het gevolg dat derde belanghebbenden die geen procespartij zijn volgens het nationale recht geldende rechtsmiddelen niet in de procedure kunnen inzetten. De verwijzende LET rechter (afdeling civiele zaken Hooggerechtshof) leest echter in arrest C-7/98 dat het begrip “openbare orde” in de Brussel I-Vo., schending waarvan een grond voor weigering van de tenuitvoerlegging is, ook het vereiste omvat dat de fundamentele constitutionele beginselen van de EULS dienen te worden geëerbiedigd, als ook de in het EVRM neergelegde fundamentele vrijheden. Hij legt het HvJEU onderstaande vragen voor:
1) Moet artikel 34, punt 1, van de Brussel I-verordening aldus worden uitgelegd dat in een procedure tot erkenning van een beslissing van een buitenlandse rechter de inbreuk op de rechten van personen die geen partij zijn in het hoofdgeding, een grond kan zijn om de in dat artikel opgenomen openbare-ordeclausule toe te passen en de erkenning van die beslissing te weigeren voor zover zij gevolgen heeft voor personen die geen partij zijn in het hoofdgeding?
2) Zo ja, moet artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] aldus worden uitgelegd dat het daarin vervatte beginsel van een eerlijk proces zich niet ertegen verzet dat in een procedure betreffende voorlopige beschermingsmaatregelen de vermogensrechten van een persoon die geen partij was in de procedure, worden beperkt indien is bepaald dat iedere persoon voor wie de beslissing over de voorlopige beschermingsmaatregelen gevolgen heeft, steeds het recht heeft de rechter te verzoeken om wijziging of vernietiging van de beslissing, maar het aan de verzoekende partijen wordt overgelaten om de beslissing ter kennis te brengen van belanghebbenden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-7/98 Krombach; C-167/08 Draka
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten