C-563/20 ORLEN KolTrans  

Contentverzamelaar

C-563/20 ORLEN KolTrans  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 februari 2021

Trefwoorden : spoorweginfrastructuur; rechtsbescherming; richtlijn; rechtstreekse werking

Onderwerp :

Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;

Feiten:

ORLEN KolTrans drijft een onderneming die onder meer actief is op het gebied van het spoorwegvervoer van goederen. Bij besluit van 29-09-2010 heeft de Prezes UTK (hoofd spoorwegvervoer, toezichthoudende instantie) zijn eerdere besluit inzake de goedkeuring van de eenheidstarieven voor het basisrecht en de tarieven voor de aanvullende rechten voor de toegang tot en de gebruikmaking van de spoorweginfrastructuur die eigendom is van PKP PLK door spoorwegvervoerders voor de geldigheidsperiode van de treindienstregeling 2010/2011 gewijzigd en de nieuwe tarieven voor het basisrecht goedgekeurd. Aangezien ORLEN KolTrans van oordeel was dat bij de tarieven voor de rechten

die waren goedgekeurd bij het besluit van de Prezes UTK indirecte kosten van de beheerder van de infrastructuur in aanmerking waren genomen, hetgeen volgens de bepalingen van de richtlijn niet is toegelaten, heeft zij verzocht om nietigverklaring van dat besluit. De Prezes UTK heeft bij beschikking geweigerd een procedure in te leiden strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit omdat een vervoerder als ORLEN KolTrans niet de hoedanigheid van partij in de zin van artikel 28 kpa heeft en geen rechtsbelang heeft bij de nietigverklaring van het besluit. ORLEN KolTrans heeft hierop beroep ingesteld en heeft aangevoerd dat de weigering om haar de hoedanigheid van partij toe te kennen, betekent dat het Poolse recht geen doeltreffende voorziening kent voor een spoorwegvervoerder om de hoogte of de structuur van de infrastructuurgebruiksrechten te betwisten, waartoe hij krachtens artikel 30(2)e) van richtlijn 2001/14 gerechtigd is. Tegelijkertijd heeft ORLEN KolTrans een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen de Poolse Staat, aangezien zij schade heeft geleden als gevolg van de onjuiste omzetting van richtlijn 2001/14 door Polen. Deze schade vloeit voort uit de te hoge rechten die zij aan de infrastructuurbeheerder heeft moeten afdragen.

Overweging:

De beoordeling door de verwijzende rechter of het besluit van de Prezes UTK waarbij de spoorwegvervoerder het recht is ontzegd om het bestuurlijke besluit tot goedkeuring van de eenheidstarieven te betwisten, rechtmatig is, hangt af van het antwoord van het Hof. Een prejudiciële beslissing is noodzakelijk met het oog op de beslechting van de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak. De verwijzende rechter twijfelt namelijk of de spoorwegvervoerder, hoewel de nationale bepalingen een vervoerder geen enkele vorm van doeltreffende voorziening tegen de hoogte van het bij bestuurlijk besluit vastgestelde eenheidstarief voor het basisrecht bieden, niettemin ten minste een recht moet worden toegekend om dit bestuurlijke besluit van de toezichthoudende instantie (waarbij de eenheidstarieven voor het basisrecht zijn goedgekeurd) te betwisten door een rechtsbelang rechtstreeks uit artikel 30(2) van richtlijn 2001/14 af te leiden.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 30, lid 2, onder e), van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering aldus worden uitgelegd dat een spoorwegonderneming die gebruikmaakt of voornemens is gebruik te maken van spoorweginfrastructuur daarbij het recht wordt toegekend om deel te nemen aan een procedure gevoerd door de toezichthoudende instantie strekkende tot vaststelling van de hoogte van de rechten voor toegang tot de spoorweginfrastructuur door de beheerder ervan?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 30, leden 5 en 6, van richtlijn 2001/14/EG aldus worden uitgelegd dat een spoorwegonderneming die gebruikmaakt of voornemens is gebruik te maken van spoorweginfrastructuur daarbij het recht wordt toegekend om een besluit van de toezichthoudende instantie te betwisten waarbij de hoogte van de door de beheerder van de spoorweginfrastructuur vastgestelde rechten voor toegang tot die infrastructuur wordt goedgekeurd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Polen, C-512/10; CTL Logistics, C-489/15;

Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV