C-568/14, C-569/14 en C-570/14 P Fernandez ea

Contentverzamelaar

Terug C-568/14, C-569/14 en C-570/14 P Fernandez ea

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken
Klik op C-568/14, C-569/14 en C-570/14 voor de volledige dossiers van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   09 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   26 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   26 maart 2015
Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke bedingen

Onderwerp
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

De drie gevoegde zaken zijn qua inhoud en vragen identiek; alleen verwijzingsbeschikking C-569/14 is vertaald.
De verzoekers in zaak C-569/14 (Jordi Carné Hidalgo en Anna Aracil Gracia) dienen in 2014 een vordering tot nietigheid in tegen verweerster Catalunya Banc wegens oneerlijke bedingen in de door partijen in 2005 gesloten openbare akte voor koop en verkoop, subrogatie in de hypothecaire leningsovereenkomst, en terugbetaling van teveel betaalde rente. De koopprijs bedroeg € 218.000 waarbij de kopers zich in de plaats stelden als schuldenaren van de lening die de bank aan de projectontwikkelaar had verstrekt.
Het gaat om de clausule in het contract tot beperking in variatie van de bodemrente (niet lager dan 3,150%, terwijl de rentevoet aan Euribor gekoppeld is). Verweerster beroept zich op de voorvraagexceptie (omdat er tegelijkertijd een collectieve procedure tegen haar loopt waarin dezelfde vraag speelt maar die is door procesincidenten momenteel geschorst). Verzoekers verzetten zich tegen de gevraagde schorsing; de rechter wijst verweersters verzoek af. Verweerster dient dan een verzoek in om sluiting van de procedure op grond van de exceptie van litispendentie, zich daarbij gesteund voelend door recente SPA jurisprudentie. Verzoekers verzetten zich tegen dat verzoek. Alvorens hierover uitspraak te doen meent de verwijzende rechter dat hij zou moeten wachten op uitspraak in de nog lopende zaken C-381/14 en C-385/14 omdat die mogelijk invloed op de uitkomst in onderhavige zaken kan hebben. De verwijzende SPA rechter (Handelsrechter te Barcelona) haalt arresten uit 2013 aan van het Hooggerechtshof waarin het hof de banken gelast heeft te stoppen met de bodemrentebepaling. De door verzoekers gestelde nietigheid van de contracten baseren zij op SPA regelgeving over oneerlijke bedingen. Het antwoord op de vragen in de zaken C-381/14 en C-385/14 zal bepalend zal zijn voor de beslissing in onderhavige zaken. Aangezien het volgens het SPA recht niet mogelijk is om ambtshalve te schorsten, legt het ook deze zaken voor aan het HvJEU met onderstaande vragen voor:
1) Vormt artikel 43 van de Spaanse wet op de burgerlijke rechtsvordering, dat de rechter verbiedt om aan partijen een mogelijke schorsing van de civiele procedure voor te stellen wanneer een andere rechter een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld, niet een duidelijke beperking van het bepaalde in artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG met betrekking tot de plicht van de lidstaten om erop toe te zien dat er, in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers?
2) Vormt artikel 721, lid 2, van de Spaanse wet op de burgerlijke rechtsvordering, dat de rechter verbiedt om ambtshalve voorlopige maatregelen voor te stellen of te nemen in individuele procedures waarin wordt verzocht om nietigverklaring van een algemene voorwaarde op grond van oneerlijkheid, niet een duidelijke beperking van het bepaalde in artikel 7 van richtlijn 93/13/EEG met betrekking tot de plicht van de lidstaten om erop toe te zien dat er, in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers?
3) Moeten de gevolgen van de voorlopige maatregelen die hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij kunnen worden genomen in het kader van een procedure waarin een individuele actie wordt ingesteld, niet worden gehandhaafd totdat er een definitieve uitspraak is gedaan hetzij in de individuele procedure, hetzij in een collectieve procedure die interfereert met het instellen van individuele acties, teneinde te garanderen dat sprake is van de in artikel 7 van de richtlijn genoemde doeltreffende en geschikte middelen?
Eerdere vragen in C-381/14 en C-385/14 Sales Sinués e.a.: De verwijzende SPA rechter (HandelsRb Barcelona) verwerpt het argument van verzoekers dat geen sprake is van hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak omdat de eis tot nietigheid mede ten grondslag ligt aan de collectieve actie, met verwijzing naar vaste rechtspraak van het HvJEU (arrest van 27 juni 2000 ( in de zaken C-240/98 – C-244/98 Océano Grupo Editorial en Salvat Editores). Volgens het SPA civiele recht is het onmogelijk om beide zaken te behandelen, hier door het vereiste van de civielrechtelijke voorvraag. De vraag rijst dan in hoeverre dit strijdig is met EU-recht gezien het vereiste in RL 93/13 om voor consumenten doeltreffende en geschikte middelen beschikbaar te stellen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Voorziet [het Spaanse rechtssysteem] in een doeltreffend middel of mechanisme in de zin van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13?
2. In hoeverre vormt deze schorsende werking een beletsel voor de consument en dus een inbreuk op artikel 7, lid 1, van voornoemde richtlijn bij de instelling van een vordering tot nietigverklaring van oneerlijke bedingen in een door hem afgesloten overeenkomst?
3. Vormt het feit dat de consument zich niet kan losmaken van de collectieve vordering een inbreuk op artikel 7, lid 3, van richtlijn 93/13?
4. Of maakt de schorsende werking van artikel 43 van de LEC geen inbreuk op artikel 7 van richtlijn 93/13 omdat de consument volledige bescherming van zijn rechten geniet via de collectieve vordering en omdat het Spaanse rechtssysteem voorziet in andere processuele mechanismen die eveneens doeltreffend en geschikt zijn voor de waarborging van zijn rechten en het beginsel van rechtszekerheid?


Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten