C-571/13 Weitkämper-Krug

Contentverzamelaar

Terug C-571/13 Weitkämper-Krug

Prejudiciële Hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   23 december 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   9 januari 2014
Schriftelijke opmerkingen:                   9 februari 2014
Trefwoorden: EEX

Onderwerp
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1)

Annegret Weitkämper-Krug (WK, verweerster in onderhavige beroepszaak) is eigenaar van een in Hamburg/DUI gelegen onroerende zaak dat is bezwaard met een ‘grundschuld’ = een niet-accessoir zekerheidsrecht). Haar opponent is de NRW-bank Düsseldorf die het executierecht wil uitvoeren (€ 155.000).
WK heeft in december 2010 in ITA geprocedeerd tegen zowel NRW als het ITA bedrijf Powersafe Italia SRL omdat zij van mening is dat de grundschuld niet rechtsgeldig aan haar is overgedragen. De overeenkomst mist dan ook rechtsgeldigheid en WK kan niet verplicht worden gedwongen executie te dulden. WK wil deelnemen in Powersafe en zij wil de investering met behulp van ITA banken financieren. Zij kan daarvoor zelf echter de zekerheden niet opbrengen als de executie wordt uitgevoerd.
In mei 2012 oordeelt de Rb Milaan dat de ITA rechter niet bevoegd is. De tegen SRL ingestelde rechtsvordering zou er kennelijk toe dienen om met misbruik van recht gebruik te maken van de ITA jurisdictie. Over deze uitspraak loopt nog een hoger beroep.
WK heeft de DUI rechter gevraagd de zaak overeenkomstig artikel 27 van verordening (EG) nr. 44/2001 aan te houden op grond van litispendentie. Maar zowel in eerste als in tweede instantie wordt zij in het ongelijk gesteld. De appelrechter meent dat zij niet aan de voorwaarden voor aanhouding van het geding heeft voldaan aangezien het geen geding tussen dezelfde partijen en evenmin over hetzelfde onderwerp gaat als de in ITA aanhangige zaak. In cassatie handhaaft WK haar verzoek om aanhouding.

Voor de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof) staat vast dat Vo. 44/2001 hier van toepassing is, ook indien sprake zou zijn van misbruik van recht. In zijn arrest C-159/02 heeft het Hof beslist dat het voeren door een partij van een gerechtelijke procedure in een andere LS niet kan worden verboden uitsluitend op de grond dat deze partij te kwader trouw handelt met het oogmerk de procedure in een andere LS te belemmeren. De beoordeling van de gepastheid van een rechtsvordering is in beginsel onttrokken aan de gerechten van een andere LS.
De verwijzende rechter wil evenwel het HvJEU een vraag voorleggen om te verduidelijken of deze formele benaderingswijze ook moet worden gevolgd wanneer enkel het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht bij uitsluiting bevoegd is overeenkomstig artikel 22 van verordening nr. 44/2001:
„Dient artikel 27, lid 1, van, aldus te worden uitgelegd dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht en dat krachtens artikel 22 van deze verordening bij uitsluiting bevoegd is, de uitspraak desalniettemin moet aanhouden totdat definitief duidelijkheid bestaat over de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht en dat geen exclusieve bevoegdheid krachtens artikel 22 van diezelfde verordening toekomt?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-116/01 Gasser;  C-159/02 Turner
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten