C-572/21 CC

Contentverzamelaar

C-572/21 CC

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    3 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    20 december 2021

Trefwoorden : exclusief gezag over kind, Brussel II-bis, Haags Verdrag, gewone verblijfsplaats

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000

Feiten:

Verweerder en verzoekster hebben samen een zoon, M, over wie verzoekster sinds zijn geboorte als enige het gezag heeft. Op 13-9-2019 heeft verweerder een procedure ingesteld tegen verzoekster, waarin hij onder meer vorderde dat hem het exclusieve gezag over M zou worden toegekend. Subsidiair vorder verweerder dat verzoekster en hij gezamenlijk het gezag over M zouden uitoefenen en dat M zijn gewone verblijfsplaats bij hem zou hebben. Verzoekster heeft deze vorderingen bestreden. Zij heeft daarnaast zelf primair gevorderd dat zij het enige gezag over M zou behouden en subsidiair dat zij en verweerder gezamenlijk het gezag over hun zoon zouden uitoefenen. Verzoekster heeft tevens gevorderd dat de Zweedse rechter in eerste aanleg het beroep van verweerder zou verwerpen voor zover het betrekking had op het gezag en de verblijfplaats, met als onderbouwing dat M sinds oktober 2019 sinds gewone verblijfplaats in Rusland heeft. M zit daar immers op een internaat. Verweerder stelt daarentegen dat M zijn gewone verblijfsplaats nog steeds in Zweden heeft. De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat M zijn gewone verblijfplaats in Rusland niet had verkregen toen de zaak aanhangig werd gemaakt. Derhalve werd de vordering van verzoekster tot verwerping van het beroep afgewezen. De rechter in tweede aanleg bevestigde voornoemde beslissing. Verzoekster heeft bij de verwijzende rechter verzocht om bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.

Overweging:

Zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in tweede aanleg hebben geoordeeld dat M zijn gewone verblijfplaats in Zweden had toen de zaak aanhangig werd gemaakt. Als gevolg was de Zweedse rechter krachtens artikel 8, lid 1, van de Brussel II bis-verordening bevoegd was om de zaak te behandelen. Na dat tijdstip is de verbondenheid van M met Rusland toegenomen en heeft een Russische rechter zich bevoegd verklaard om een aldaar aanhangig gemaakte zaak te beoordelen. Volgens de verwijzende rechter kan niet worden aangenomen dat het duidelijk is of vaststaat in hoeverre een rechter van een lidstaat zijn bevoegdheid behoudt in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer het kind, nadat de zaak aanhangig is gemaakt bij een rechter in een lidstaat maar voordat de zaak is afgedaan, zijn gewone verblijfplaats verplaatst naar een derde land dat is toegetreden tot het Haags Verdrag.

Prejudiciële vragen:

Behoudt een rechter van een lidstaat zijn bevoegdheid krachtens artikel 8, lid 1, van de Brussel II-verordening wanneer de gewone verblijfplaats van het kind waarop de zaak betrekking heeft, tijdens de procedure voor die rechter wordt verplaatst van een lidstaat naar een derde land dat is toegetreden tot het Haags Verdrag van 1996 (zie artikel 61 van de verordening)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV