C-577/20 Sosiaali- ja terveysalan lupa- ja valvontavirasto

Contentverzamelaar

C-577/20 Sosiaali- ja terveysalan lupa- ja valvontavirasto

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2021

Trefwoorden : beroepskwalificaties; opleiding; diploma

Onderwerp :

Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU.

Feiten:

A heeft bij de nationale vergunnings- en controle-instantie op sociaal en gezondheidsgebied (Valvira) een aanvraag ingediend om gebruik te mogen maken van de beschermde beroepstitel psychotherapeut. Hij heeft o.a. een door de universiteit University of the West of England (UWE) uitgereikt diploma toegevoegd. UWE heeft in samenwerking met de in Finland opererende Finse vennootschap HPI de opleiding verzorgd. De opleiding is uitgevoerd in Finland in de Finse taal. Valvira ontving op uiteenlopende data verontrustende berichten over deze psychotherapie-opleiding (o.a. dat de daadwerkelijke inhoud niet overeenkwam met de in de studiegidsen toegezegde leerdoelen en vakken). Valvira wees de aanvraag van A voor het gebruik van de beschermde beroepstitel psychotherapeut af. Het daarop ingediende bezwaar van A werd afgewezen door Valvira. Valvira kon zich er niet van vergewissen dat de uitvoering van de opleiding voldoet aan de eisen die in Finland worden gesteld aan een psychotherapie-opleiding. Hierop is A in beroep gegaan; dit beroep werd door de bestuursrechter afgewezen. De bestuursrechter heeft als bewezen aangenomen dat de betrokken opleiding aanzienlijke tekortkomingen en verschillen vertoont ten opzichte van een Finse psychotherapie-opleiding.

Overweging:

De vraag rijst of de aanvraag van A kan worden afgewezen om de enkele reden dat A het beroep van psychotherapeut niet in een andere lidstaat heeft uitgeoefend in de zin van artikel 13(2) eerste alinea, van richtlijn 2005/36. Wanneer de aanvraag van A niet reeds op die grond kan worden afgewezen, dient het recht van A op uitoefening van een gereglementeerd beroep te worden beoordeeld op basis van de artikelen 45 en 49 VWEU en de rechtspraak van het Hof betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties en diploma’s (C-340/89 en C-298/14). In dat geval dient onder meer te worden uitgemaakt of Valvira in de bijzondere omstandigheden als de onderhavige de aanvraag mocht afwijzen, met als reden dat zij de praktische uitvoering van de gevolgde opleiding in grote lijnen zo ontoereikend acht, dat de opleiding in het algemeen niet kan worden beschouwd als een opleiding tot psychotherapeut. In verband daarmee wordt beoordeeld in welke mate het Unierecht het recht van een bevoegde autoriteit van een lidstaat beperkt om te onderzoeken op welke wijze de opleiding, waarvan een diploma van een onder het onderwijsstelsel van andere lidstaat vallende universiteit wordt overgelegd, in grote lijnen in de praktijk is uitgevoerd.

Prejudiciële vragen:

1) Dienen de in het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden en richtlijn 2005/36/EG aldus te worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat het recht van een aanvrager op uitoefening van een gereglementeerd beroep moet beoordelen aan de hand van de artikelen 45 en 49 VWEU en de daarop betrekking hebbende rechtspraak (met name de arresten van 7 mei 1991, C-340/89, en 6 oktober 2015, C-298/14), hoewel de voorwaarden voor uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn geharmoniseerd bij artikel 13, lid 2, van richtlijn 2005/36, op grond waarvan de ontvangende lidstaat de uitoefening van een beroep toestaat aan een aanvrager die in het bezit is van een opleidingstitel uit een lidstaat waar dat beroep niet is gereglementeerd, maar die niet voldoet aan de in de richtlijn gestelde vereisten voor de uitoefening van het beroep?

2) Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, staat het Unierecht – rekening houdende met wat is vastgesteld in het arrest C-298/14 (punt 55) over de exclusieve criteria voor gelijkwaardigheid van een diploma – eraan in de weg dat de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat in een situatie als welke aan de orde is in de onderhavige zaak zich bij haar beoordeling van de gelijkwaardigheid van de opleiding ook baseert op andere bronnen dan een van een opleidingsaanbieder of autoriteit van een andere lidstaat ontvangen verklaring over de nadere invulling en uitvoering van de opleiding?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-340/89; C-298/14; C-125/16; C-575/11.

Specifiek beleidsterrein: OCW;