C-582/15 Van Vemde

Contentverzamelaar

C-582/15 Van Vemde

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   29 december 2015
Concept schriftelijke opmerkingen:       15 januari 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   15 februari 2016
Trefwoorden: wederzijdse erkenning strafvonnissen; overdracht gevonniste personen

Onderwerp
- Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen, 's-Gravenhage 28 mei 1970, Trb. 1971, 137 (EVIG);
- Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Verzoeker is NL staatsburger en op 27-10-2009 in NL aangehouden naar aanleiding van door BELaut uitgevaardigd EAB. Op 07-01-2010 is hij aan BEL overgeleverd waar hij tot 15-03-2010 gedetineerd is geweest. In afwachting van zijn proces kwam hij op borgtocht vrij en is hij naar NL teruggekeerd. Bij arrest van 28-02-2011 is verzoeker tot een vrijheidsstraf van drie jaar veroordeeld, op 06-12-2011 in cassatie bevestigd; het arrest is per die datum onherroepelijk. Op 13-02-2012 is een hechtenisbevel aan verzoeker in persoon uitgereikt. Op grond van de op 01-11-2012 in werking getreden Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS, waarin kaderbsl 2008/909 is geïmplementeerd) hebben BELaut op 23 juli 2013 NL verzocht de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf over te nemen op basis van het EVIG. De OvJ heeft op 10-10-2013 gevorderd dat de Rb verlof tot tenuitvoerlegging verleent, maar baseert zijn eis abusievelijk op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP).

De verwijzende NL rechter (Rb Amsterdam) stelt vast dat het veroordelend arrest is gewezen vóór 05-12-2011 en ziet zich dan ook geplaatst voor de vraag of de WETS, dan wel de WOTS van toepassing is, gezien de uitzonderingen in artikel 5:2 leden 2 en 3. Omdat ook BEL kaderbsl 2008/909 heeft geïmplementeerd is lid 2 niet van toepassing, en naar de letter is de uitzondering van het derde lid evenmin van toepassing, omdat het BEL arrest na 5 december 2011 onherroepelijk is geworden. De Rb heeft zich in een eerdere uitspraak aangesloten bij de redenering van AG Vegter die hij heeft gedaan in een zaak waarin zich de uitzondering als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, WETS voordeed en waarin hij concludeert dat art. 5:2, derde lid, WETS in een concreet geval in strijd kan komen met art. 28, tweede lid, Kaderbesluit en in strijd met de door NL afgelegde verklaring. Dit zou kunnen worden verholpen met een kaderbesluitconforme uitleg van art. 5:2, derde lid, WETS waarbij dit onderdeel aldus wordt gelezen dat de WETS niet van toepassing is op onherroepelijke rechterlijke uitspraken die voor 5 december 2011 zijn gegeven. Met een dergelijke uitleg voldoet de nationale rechter aan zijn verplichting om de toepassing van zijn nationale recht 'zo veel mogelijk' te doen 'in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit-teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken.
De Rb ziet echter aanleiding een prejudiciële vraag aan het HvJEU te stellen over de uitleg van artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ. De uitleg van deze bepaling is van direct belang voor de uitleg van artikel 5:2, derde lid, WETS en voor de afdoening van de onderhavige zaak. De vraag luidt als volgt
“Moet artikel 28, tweede lid, eerste volzin, Kaderbesluit 2008/909/JBZ zo worden verstaan dat de daar bedoelde verklaring alleen betrekking mag hebben op vonnissen die zijn gewezen vóór 5 december 2011, ongeacht wanneer die vonnissen onherroepelijk zijn geworden, of moet die bepaling zo worden verstaan dat de verklaring alleen betrekking mag hebben op vonnissen die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden?”
Specifiek beleidsterrein: VenJ