C-583/14 Nagy

Contentverzamelaar

Terug C-583/14 Nagy

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   19 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   5 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   5 april 2015
Trefwoorden: motorvoertuigen; gelijke behandeling; burgerschap

Onderwerp: VWEU artikel 18 (gelijke behandeling) en artikel 20 (burgerschap)

Verzoeker Benjámin Dávid Nagy, HON staatsburger met vaste woonplaats in HON, heeft een halfbroer in OOS die vennoot en wettelijke vertegenwoordiger van het in OOS gevestigde bedrijf Alpen-Reisen Horváth OG. Verzoeker heeft bij overeenkomst met dit bedrijf van 3 december 2010 toestemming gekregen om een bepaalde auto, voorzien van een OOS kenteken, te gebruiken. Hij gebruikt de auto af en toe om een opdracht voor het bedrijf van zijn halfbroer uit te voeren. In mei 2013 wordt hij bij de OOS/HON grens gecontroleerd. Omdat hij geen gebruiksovereenkomst kan overleggen en er op grond van de HON wegenverkeerswet geen ontheffingsgronden zijn dat hij in HON rechtmatig gebruik mag maken van een auto met buitenlands kenteken wordt het voertuig ter plekke ontmanteld. Verzoeker ontvangt ook nog een boete. Hij start een bezwaarprocedure om dat besluit aan te vechten. Hij stelt toestemming van zijn halfbroer te hebben en dat de HON regels op grond waarvan hij beboet is in strijd zijn met EURrecht, en hij verwijst naar de op dat moment aanhangige zaak bij het HvJEU C-5/13 (inmiddels bij beschikking ex artikel 99 reglement procesvoering afgedaan). Verweerder, Hoofdcommissariaat van politie, oordeelt echter dat de prejudiciële procedure geen bron van recht is. In beroep overlegt verzoeker alsnog de toestemming voor het gebruik van het voertuig en geeft aan dat er geen sprake is van een dienstverband met het bedrijf van zijn halfbroer maar dat hij als ‘helpend familielid’ grensoverschrijdende opdrachten onbezoldigd uitvoert.
De verwijzende HON rechter (Rb voor bestuursrechtelijke en arbeidsrechtelijke zaken te Szombathely) herinnert eraan dat het HvJEU in zaak C-5/13 de artikelen 18 en 20 VWEU niet heeft betrokken omdat verzoeker in die zaak een werknemer was. Hij stelt dan ook de volgende twee vragen aan het HvJEU:
1. Moet artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan in beginsel alleen voertuigen waarvoor die lidstaat een vergunning en een kenteken heeft afgegeven, aldaar mogen deelnemen aan het wegverkeer, en een in die lidstaat wonend persoon die geen werknemer in de zin van het Unierecht is en zich wenst te beroepen op een vrijstelling van die regeling op de grond dat hij gebruikmaakt van een voertuig dat een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer hem ter beschikking heeft gesteld, bij een politiecontrole ter plaatse moet kunnen aantonen dat hij voldoet aan de in die nationale regeling gestelde voorwaarden, aangezien anders onmiddellijk – zonder vrijstellingsmogelijkheid – een geldboete wordt opgelegd waarvan de hoogte overeenkomt met de boete die geldt bij niet-nakoming van de verplichting om het voertuig te registreren?
2. Moet artikel 20, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan in beginsel alleen voertuigen waarvoor die lidstaat een vergunning en een kenteken heeft afgegeven, aldaar mogen deelnemen aan het wegverkeer, en een in die lidstaat wonend persoon die geen werknemer in de zin van het Unierecht is en zich wenst te beroepen op een vrijstelling van die regeling op de grond dat hij gebruikmaakt van een voertuig dat een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer hem ter beschikking heeft gesteld, bij een politiecontrole ter plaatse moet kunnen aantonen dat hij voldoet aan de in die nationale regeling gestelde voorwaarden, aangezien anders onmiddellijk – zonder vrijstellingsmogelijkheid – een geldboete wordt opgelegd waarvan de hoogte overeenkomt met de boete die geldt bij niet-nakoming van de verplichting om het voertuig te registreren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-5/13 Kovacs
Specifiek beleidsterrein: IenM mede VenJ

Gerelateerde documenten