C-585/20 BFF Finance Iberia S.A.U. 

Contentverzamelaar

C-585/20 BFF Finance Iberia S.A.U. 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     21 februari 2021

Trefwoorden : betalingsachterstand; vordering; wettelijke rente;

Onderwerp :

Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties;

Feiten:

Meerdere handelsondernemingen hebben goederen en diensten geleverd aan medische centra die onder de verantwoordelijkheid van de gezondheidsdienst vallen. De gezondheidsdienst heeft de facturen niet voor de vervaldatum betaald. BFF Finance Iberia heeft de vorderingsrechten gekregen van de handelsondernemingen. BFF Finance Iberia heeft bij de gezondheidsdienst een schriftelijk verzoek ingediend tot betaling van: 124 662,71 EUR als hoofdsom, te vermeerderen met vertragingsrente en 40 EUR aan invorderingskosten voor elk van de facturen die niet binnen de wettelijk vastgestelde termijnen werden betaald. De gezondheidsdienst heeft niet betaald. Daarop heeft BFF Finance Iberia een beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Vervolgens heeft zij een vordering ingesteld.

Overweging:

Volgens artikel 6 van de richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de schuldeiser minstens een vast bedrag van 40 EUR bij de schuldenaar mag invorderen. De vraag is of het bedrag van 40 EUR per factuur dan wel per samengevoegde vordering geldt? Indien de eerste uitlegging wordt aanvaard, rijst de vraag of de verzoekende partij die facturen afzonderlijk moet opnemen in al haar vorderingen bij zowel de bestuursinstantie als de bestuursrechter, dan wel of een globale en algemene vordering volstaat om die 40 EUR per factuur te kunnen invorderen. Verder rijst de vraag of de richtlijn aldus kan worden uitgelegd dat een lidstaat bij wet een betalingstermijn van 60 dagen kan vaststellen die geldt in alle omstandigheden, zonder uitdrukkelijke instemming of nadere rechtvaardiging in het licht van de aard of de bijzondere kenmerken van het contract? Ten slotte: kan de richtlijn aldus worden uitgelegd dat in de berekeningsbasis voor de door de richtlijn erkende vertragingsrente de btw is begrepen die verschuldigd is op de uitgevoerde verrichting en waarvan het bedrag in de factuur zelf is opgenomen? Over deze kwesties bestaat onenigheid en de Spaanse hoven en rechtbanken geven verschillende uitleggingen.

Prejudiciële vragen:

- Gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 1, artikel 6 en artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties: Moet artikel 6 van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het bedrag van 40 EUR in ieder geval per factuur geldt, mits de schuldeiser de facturen afzonderlijk heeft aangevoerd in zijn vorderingen bij de bestuursinstantie en de bestuursrechter, dan wel dat het bedrag van 40 EUR in ieder geval per factuur geldt, ook al zijn globale en algemene vorderingen ingesteld?

- Hoe moet artikel 198, lid 4, van wet 9/2017 – dat voorziet in een betalingstermijn van 60 dagen in alle omstandigheden en voor alle contracten, waarvan de eerste 30 dagen dienen voor de goedkeuring en de resterende 30 dagen voor de betaling – worden uitgelegd, erop gelet dat [overweging] 23 van de richtlijn luidt: Lange betalingstermijnen en betalingsachterstanden van overheidsinstanties voor geleverde goederen en diensten leiden tot ongerechtvaardigde kosten voor ondernemingen. Om deze reden is het wenselijk om voor commerciële transacties voor de levering van goederen of diensten door ondernemingen aan overheidsinstanties specifieke regels in te voeren, die met name moeten voorzien in betalingstermijnen welke doorgaans niet meer dan 30 kalenderdagen bedragen - tenzij [...] uitdrukkelijk anders is overeengekomen, en mits een en ander objectief gerechtvaardigd is in het licht van de bijzondere aard of kenmerken van het contract - en in ieder geval niet meer dan 60 kalenderdagen’?

- Hoe moet artikel 2 van de richtlijn worden uitgelegd? Kan de richtlijn aldus worden uitgelegd dat in de berekeningsbasis voor de in de richtlijn erkende vertragingsrente de btw is begrepen die verschuldigd is op de uitgevoerde verrichting en waarvan het bedrag in de factuur zelf is opgenomen? Of moet een onderscheid worden gemaakt en worden bepaald op welk tijdstip de aannemer de belasting aan de belastingdienst afdraagt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

 Specifiek beleidsterrein: JenV;