C-588/20 Daimler

Contentverzamelaar

C-588/20 Daimler

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     30 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     16 februari 2021

Trefwoorden : mededinging; kartel;

Onderwerp :

Besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.39824 – Vrachtwagens) – C(2016) 4673 final;

Feiten:

Verzoeker is een publiekrechtelijke rechtspersoon en heeft na openbare aanbestedingen bij verweerster, een wereldwijd opererend automobielconcern dat o.a. vrachtwagens ontwikkelt, produceert en op de markt brengt, zowel in 2006 als in 2007 een complete vuilniswagen voor gekocht. Bij besluit van 19-07-2016, dat onder andere aan verweerster is gericht, heeft de Commissie vastgesteld dat een aantal bedrijven zich schuldig had gemaakt aan mededingingsverstorend gedrag. Verzoeker stelt dat dit vrachtwagenkartel, waarvan het bestaan door de Commissie is vastgesteld, hem bij de aanschaf van zijn twee vuilniswagens economische schade heeft toegebracht doordat op grond van de kartelafspraken te hoge prijzen werden gehanteerd. Hij stelt middels deze procedure een vordering tot vergoeding van die schade in tegen verweerster. Verweerster is echter van mening dat de litigieuze vuilniswagens als speciale voertuigen niet binnen de werkingssfeer van het Commissiebesluit vallen. Hij voert hiertoe aan dat de Commissie tijdens de voorbereiding van het besluit in een aan verweerster gericht verzoek om inlichtingen de reikwijdte van haar onderzoek nader heeft omschreven en daarbij heeft medegedeeld dat tweedehandsvrachtwagens, speciale voertuigen (bijvoorbeeld militaire voertuigen, brandweerwagens) doorverkochte opbouwen (zogenaamde „add-ons”), aftersales, overige diensten en garantieverlening niet onder het begrip „vrachtwagens” vallen.

Overweging:

De gegrondheid van de vordering hangt in casu af van het antwoord op de aan de orde gestelde vraag naar de uitlegging van het besluit van de Commissie van 19-07-2016. Als de uitlegging luidt dat special voertuigen, zoals in dit geval de litigieuze vuilniswagens, niet onder de werkingssfeer van het besluit van de Commissie vallen, dan kan verzoeker zich niet op een rechtstreekse bindende werking van het Commissiebesluit beroepen en valt alleen nog te denken aan onrechtstreekse effecten van het kartel, waaruit andere, verdergaande eisen aan de bewijslast van de partijen zouden voortvloeien. Het antwoord op de vraag is ook buiten de voorgelegde procedure van groot belang. In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat bij hem nog andere zaken met soortgelijke feiten aanhangig zijn, in sommige gevallen echter met aanzienlijk meer aankopen (waarbij soms enkele honderden vrachtwagens betrokken zijn), waarin het eveneens – ook – gaat om de vraag of vuilniswagens of andere soorten speciale voertuigen onder de bindende werking van het besluit van de Commissie vallen.

Prejudiciële vraag:

Moet het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 juli 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.39824 – Vrachtwagens) – C(2016) 4673 final – aldus worden uitgelegd, dat de vaststellingen in dat besluit van de Commissie ook gelden voor speciale voertuigen, en in het bijzonder voor vuilniswagens?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK;