C-590/13 Idexx Laboratoires Italia

Contentverzamelaar

Terug C-590/13 Idexx Laboratoires Italia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   13 januari 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   30 januari 2014
Schriftelijke opmerkingen:                   28 februari 2014
Trefwoorden: btw (verleggingsregeling)

Onderwerp
Richtlijn 91/680/EEG) tot wijziging van respectievelijk de artikelen 17, leden 2, 3 en 4, 18, lid 1, 21, lid 1, en 22, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting)

Verzoekster IDEXX is een vennootschap die actief is in de distributie van goederen voor de veterinaire sector. Zij ontvangt een naheffing aan btw over het jaar 1998, een bedrag van € 291.543,02, omdat zij heeft verzuimd nieuwe voorschriften voor facturering en registratie van intracommunautaire handelingen na te leven.
Verzoekster gaat in beroep tegen de aanslag en in eerste (administratieve) instantie wordt zij in het gelijk gesteld maar in beroep door de belastingdienst zijn deze besluiten gewijzigd. De appelrechter oordeelde dat de door verzoekster gepleegde schendingen van materiële aard die zouden kunnen leiden tot rectificaties dan wel naheffingsaanslagen. Aangezien verzoekster het met die beslissing niet eens is stelt zij beroep in cassatie in. Zij is van mening dat geen sprake is van een materiële schending omdat in de ‘verleggingsregeling’ is bepaald dat intracommunautaire verwervingen tegelijkertijd in zowel het register van facturen als in het register van aankopen worden geregistreerd. Volgens verzoekster wordt de schijnbare belastingschuld door de dubbele verwerking in de boekhouding volledig verrekend, immers de boekhoudkundige registratie komt in feite neer op het boeken van tegen elkaar wegvallende transacties, hetgeen bevestigt dat de registraties louter formeel zijn. Verzoekster meent tevens dat intracommunautaire verwervingen geen materiële gevolgen hebben.

De verwijzende ITA rechter (cassatiehof) vindt het wenselijk dat het HvJEU nader ingaat op de gevolgen van het arrest in de gevoegde zaken Ecotrade voor de verleggingsregeling. Hij stelt de volgende vragen aan het HvJEU:
1) Zijn de beginselen die het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 8 mei 2008 in de gevoegde zaken C-95/07 en C-96/07 heeft geformuleerd, volgens welke de artikelen 18, lid 1, sub d, en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/680/EEG, zich verzetten tegen een praktijk van rectificatie van aangiften en naheffing van belasting over de toegevoegde waarde waarbij niet-nakoming van, enerzijds, de verplichtingen die voortvloeien uit formaliteiten die door de nationale regeling zijn voorgeschreven krachtens dat artikel 18, lid 1, sub d, en, anderzijds, de verplichtingen betreffende het voeren van boekhouding en het indienen van aangiften die voortvloeien uit dat artikel 22, lid 2 respectievelijk lid 4, wordt bestraft met verval van het recht op aftrek bij toepassing van de verleggingsregeling, ook van toepassing in geval van volledige niet-nakoming van de verplichtingen die in deze regeling zijn voorgeschreven wanneer er geen twijfel is dat een persoon gehouden is de belasting te betalen en recht heeft op aftrek?
2) Verwijzen de uitdrukkingen „obblighi sostanziali”, [„materiële voorwaarden”,] „substantive requirements” en „exigences de fond” die het Hof van Justitie in de verschillende taalversies van het arrest van 8 mei 2008 in de gevoegde zaken C-95/07 en C-96/07 in verband met de zogenoemde verleggingsregeling voor de btw heeft gebruikt, naar de noodzaak de btw te betalen of de belastingschuld over te nemen, of naar de materiële voorwaarden voor de onderwerping van de belastingplichtige aan de belasting en het recht op aftrek met het oog op behoud van het beginsel van de neutraliteit van deze uniforme Europese belasting, zoals inherentie, belastbaarheid en volledige aftrekbaarheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-95/07 en C-96/07 Ecotrade e.a.
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten