C-594/14 Kornhaas

Contentverzamelaar

Terug C-594/14 Kornhaas

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   16 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   2 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   2 april 2015
Trefwoorden: insolventie; recht vrije vestiging

Onderwerp
- VWEU artikel 49 (vrije vestiging) en 54 (gelijkstelling vennootschappen met onderdanen)
- Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (Pb L 160, blz. 1)

Thomas Dithmar is curator van de firma Kornhaas Montage und Dienstleistung Ltd, ingeschreven in het handelsregister van Engeland en Wales. Er is een bijkantoor in DUI. Simona Kornhaas is directeur, voornamelijk in DUI actief, en verweerster in de nationale zaak. Sinds 2007 loopt een insolventieprocedure. De zaak betreft betalingen die verweerster in de insolventieperiode ten onrechte zou hebben laten plaatsvinden. Daarom eist de curator een bedrag van € 110.151,66 van haar terug. Zowel in eerste instantie als in beroep wordt deze vordering toegewezen. Verweerster vraagt ‘Revision’ van de uitspraak in beroep. De zaak ligt voor bij de verwijzende DUI rechter (Bundesgerichtshof). Die oordeelt dat de vordering bij toepassing van DUI recht toewijsbaar is: de bestuurder van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is gehouden de vennootschap te vergoeden voor betalingen die zijn gedaan na het intreden van de insolventie of nadat de te hoge schuldenlast van de vennootschap is vastgesteld. Het feit dat hier niet om een bestuurder naar DUI recht maar om een directeur naar Engels en Wels recht gaat staat toepassing van DUI recht niet in de weg omdat deze vennootschapsvormen sterk overeen komen. In het Unierecht echter worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. In de DUI rechtspraak en literatuur is omstreden of de DUI regelgeving wel van toepassing is op met de bedrijfsvoering belaste organen van in de EU gevestigde buitenlandse vennootschappen waarvan het centrum van de voornaamste belangen, zoals in casu het geval, in DUI is gelegen en ten aanzien waarvan in DUI op grond van artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening de insolventieprocedure is geopend. Daarbij vraagt hij zich wel af of toepassing van de DUI regelgeving strijd oplevert met de vrijheid van vestiging in de zin van VWEU artikelen 49 en 54. Hij legt het HvJEU onderstaande vragen voor:
a) Valt een door de curator bij een Duitse rechter ingestelde vordering waarmee van een bestuurder van een private company limited by shares naar Engels of Wels recht ten aanzien waarvan in Duitsland op grond van artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening de insolventieprocedure is geopend, vergoeding wordt gevorderd van betalingen die deze bestuurder heeft verricht vóór de opening van de insolventieprocedure maar na het intreden van de insolventie, onder het Duitse insolventierecht overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de insolventieverordening?
b) Is een dergelijke vordering in strijd met de vrijheid van vestiging overeenkomstig de artikelen 49 en 54 VWEU?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-208/00 Überseering; C-167/01 Inspire Art; C-295/13 H (lopende zaak)
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten