C-597/20 LOT 

Contentverzamelaar

C-597/20 LOT 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     14 maart 2021

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers; bevoegdheid nationale instantie;

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers b instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de verordening);

Feiten:

Nadat de vlucht van de verzoekende luchtvaartmaatschappij van New York naar Boedapest meer dan drie uur vertraagd was, hebben buitenlandse passagiers verweerster (de Hongaarse autoriteit voor consumentenbescherming) verzocht verzoekster te verplichten om compensatie uit te keren. Verweerster heeft daarop vastgesteld dat verzoekster de artikelen 6(1)c) en 7(1)c) van de verordening had geschonden en haar daarom de verplichting opgelegd om aan de betrokken reizigers compensatie te betalen, alsook om in de toekomst de voorgeschreven compensatiebedragen te betalen aan reizigers die een klacht hebben ingediend. Verweerster stelt dat zij krachtens artikel 16, leden 1 en 2 van de verordening bevoegd is om kennis te nemen van klachten betreffende de rechten van reizigers. Daarnaast bepaalt §43/A(2) van de Hongaarse wet op de consumentenbescherming dat de autoriteit verantwoordelijk is voor de handhaving van verordening 2017/2394 in geval van overtreding van de bepalingen van verordening 261/2004. §47(1)c) van de wet op de consumentenbescherming verleent de autoriteit de bevoegdheid om ondernemingen te verplichten om binnen een door haar te stellen termijn een einde te maken aan vastgestelde gebreken of tekortkomingen. Krachtens §47(1)i) van de wet op de consumentenbescherming is zij bevoegd om een “boete ter bescherming van de consument” op te leggen.  Met haar beroep verzoekt verzoekster de verwijzende rechter om nietigverklaring van het besluit van verweerster. Zij voert aan dat de vertraging van de betrokken vlucht kan worden beschouwd als een buitengewone omstandigheid en dat zij daarom terecht heeft geweigerd de door de passagiers gevorderde compensatie te betalen. Verweerster concludeert tot verwerping van het beroep.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft twijfels omtrent de bevoegdheid van de autoriteit voor consumentenbescherming voor het opleggen van de verplichting tot betaling van de in verordening 261/2004 bedoelde compensatie. Deze vraag is relevant omdat de aan het arrest van het Hof in de gevoegde zaken C-145/15 en C-146/15 ten grondslag liggende Nederlandse situatie anders is dan de situatie in Hongarije, aangezien in Nederland de civiele rechter bevoegd is ter zake van verzoeken van passagiers tot compensatie en de autoriteit voor consumentenbescherming bij haar ingediende verzoeken daartoe dan ook stelselmatig afwijst. In een dergelijk geding heeft de Nederlandse verwijzende rechter de vraag gesteld of de autoriteit voor consumentenbescherming “verplicht is” de betrokken luchtvaartmaatschappij te verplichten tot het betalen van compensatie. Deze vraag heeft het Hof met “niet verplicht” beantwoord, ofschoon de advocaat-generaal in zijn conclusie het Hof in overweging gaf om de vraag te beantwoorden met het ruimer geformuleerde – en ook voor de Hongaarse situatie toepasbare – antwoord dat deze autoriteit daartoe “niet kan” overgaan. Het arrest geeft inzicht in de gedachtegang van het Hof, maar biedt geen sluitend antwoord in de Hongaarse situatie, waarin de autoriteit voor consumentenbescherming – hoewel de toegang tot de civiele rechter ook in Hongarije open staat – in de regel overgaat tot het verplichten van luchtvaartmaatschappijen om compensatie te betalen.

 

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 16, leden 1 en 2, van verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad aldus te worden uitgelegd dat de nationale instantie die verantwoordelijk is voor de handhaving van deze verordening, waarbij door een passagier een individuele klacht is ingediend, de betrokken luchtvaartmaatschappij niet tot betaling van de aan de passagier verschuldigde compensatie kan verplichten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: de gevoegde zaken C-145/15 en C-146/15;

Specifiek beleidsterrein: IenW