C-599/20 Baltic Master 

Contentverzamelaar

C-599/20 Baltic Master 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     21 februari 2021

Trefwoorden : douanewetboek; belastingen

Onderwerp :

-           Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;

-           Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek;

-           Verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;

-           Verordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie van 30 september 2009 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;

Feiten:

Tussen 2009 en 2012 heeft verzoekster in Litouwen verschillende hoeveelheden goederen van Maleisische oorsprong ingevoerd die zij had aangekocht bij Gus Group (hierna: verkoper). In de aangiften heeft verzoekster de transactiewaarde (de prijs op de facturen) vermeld als de douanewaarde van de betwiste goederen. Na herhaalde controles op verzoeksters invoer van deze goederen, heeft de douaneautoriteit geweigerd de vermelde transactiewaarde te aanvaarden. De douaneautoriteit heeft de douanewaarde van de goederen overeenkomstig artikel 31 van het communautair douanewetboek vastgesteld onder verwijzing naar de gegevens die beschikbaar waren in het douaneinformatiesysteem voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen (hierna ook: PREMI-databank). De douaneautoriteit heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster en de verkoper moesten worden beschouwd als verbonden personen in de zin van artikel 29(1)d) van het communautair douanewetboek en dat de douanewaarde van de betwiste goederen niet kon worden vastgesteld aan de hand van een van de in de artikelen 29 en 30 van dat wetboek genoemde methodes. Verzoekster heeft hierop achtereenvolgens bezwaar, beroep, en hoger beroep ingediend. Deze werden allen afgewezen. Overeenkomstig een beslissing van het EHRM volgens welke de rechterlijke instanties van Litouwen hun weigering om het Hof een prejudiciële vraag te stellen onvoldoende hadden gemotiveerd en bijgevolg artikel 6(1) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden hadden geschonden, heeft de bestuursrechter in hoogste aanleg de administratieve procedure heropend.

Overweging:

Allereerst dient een antwoord te worden gegeven op de vraag of verzoekster en de verkoper van de betwiste goederen kunnen worden beschouwd als verbonden personen in de zin van artikel 29(1)d) van het communautair douanewetboek. In casu heeft de douaneautoriteit de douanewaarde van de door verzoekster ingevoerde goederen vastgesteld aan de hand van de transactiegegevens voor goederen van een afzonderlijke importeur onder dezelfde benaming (onderdelen van klimaatregelmachines), ingedeeld onder dezelfde Taric-code met dezelfde Maleisische oorsprong (en dezelfde fabrikant). Maar op basis van de verzamelde gegevens kan worden geconcludeerd dat de betwiste goederen en de goederen waarmee ze werden vergeleken om de douanewaarde ervan te bepalen, niet soortgelijk zijn. Hoe moet de douanewaarde dan worden vastgesteld?

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 29, lid 1, onder d), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en artikel 143, lid 1, onder b), e) of f), van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, aldus worden uitgelegd dat de koper en de verkoper worden beschouwd als verbonden personen wanneer, zoals in casu, bij gebreke van documenten (officiële gegevens) die een handelspartnerschap of zeggenschap aantonen, de omstandigheden waaronder de transacties tot stand zijn gekomen, echter, op basis van objectieve aanwijzingen, niet worden gekenmerkt door de uitvoering van economische activiteiten in normale omstandigheden, maar eerder door gevallen waarin (1) er met name sprake is van nauwe handelsbetrekkingen op basis van een groot wederzijds vertrouwen tussen de partijen bij de transactie, of (2) een partij bij de transactie zeggenschap uitoefent over de andere partij of een derde zeggenschap uitoefent over beide partijen bij de transactie?

2. Moet artikel 31, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van informatie in een nationale databank betreffende een douanewaarde van goederen van dezelfde oorsprong die weliswaar niet soortgelijk zijn in de zin van artikel 142, lid 1, onder d), van verordening (EEG) nr. 2454/93, maar onder dezelfde Taric-post worden ingedeeld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: EHRM arrest van 16 april 2019, Baltic Master/Litouwen;

Specifiek beleidsterrein: FIN;