C-604/21 Vapo Atlantic

Contentverzamelaar

C-604/21 Vapo Atlantic

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    3 januari 2022

Trefwoorden : biobrandstof, bijmengingspercentage, technische eis, informeren Commissie over wetgeving

Onderwerp :

-Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften [van kracht op de datum van bekendmaking van de desbetreffende nationale wetgeving, maar later ingetrokken bij richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015.

-Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 [gewijzigd bij richtlijn 2009/30/EG en richtlijn (EU) 2015/1513].

-Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van richtlijn 98/70/EG.

-Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van richtlijn 98/70/EG en richtlijn 2009/28/EG.

-Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG [vervolgens ingetrokken bij richtlijn (EU) 2018/2001].

Feiten:

Verzoekster is een onderneming die actief is op de Portugese brandstoffenmarkt. Zij heeft niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden om biobrandstoffen fysiek bij te mengen in de brandstoffen die zij tot verbruik in Portugal uitslaat, waarbij ze brandstoffen betrekt van een in Spanje gevestigde onderneming. In deze brandstof uit Spanje is biobrandstof bijgemengd volgens vereisten van Spaanse wetgeving. Echter heeft zij geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de vrijwillige certificeringsregeling van de entiteit waarvan zij in Spanje brandstoffen betrekt, door de Europese Commissie is goedgekeurd. Waar zij volgens nationale wetgeving over ten minste 758 certificaten had moeten beschikken om aan te tonen dat tenminste 10% biobrandstoffen zijn bijgemengd, beschikte zij over geen van die certificaten.

Bijgevolg heeft verweerder verzoekster financiële compensatie gevorderd, die door verzoekster in rechte wordt aangevochten.

Overweging:

Allereerst rijst de vraag of de definitie van het bijmengingspercentage van 10%, dat voortvloeit uit artikel 1, punt 5, van richtlijn 2009/30/EG, moet worden beschouwd als een “andere eis” in de zin van artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of de nationale bepaling omtrent het bijmengingspercentage van 10% een “integrale omzetting van een internationale of Europese norm” betreft, of een “in dwingende communautaire besluiten vervatte vrijwaringsclausules” in de zin van artikel 10, lid 1, derde streepje van richtlijn 98/34/EG. Deze vragen dienen ter vaststelling van de mate waarin de lidstaat de Commissie had moeten informeren over het ontwerp van de betrokken nationale wetgeving. Dit hangt af van de classificering van de nationale wetgeving.

Deze vragen hebben tot doel om te bepalen of een deelnemer aan de brandstoffenmarkt kan aanvoeren dat relevante bepalingen van nationaal recht niet afdwingbaar zijn, omdat zij niet in overeenstemming met de procedures van artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG zijn vastgelegd. Deze vraag wordt, voor zover het antwoord niet automatisch volgt uit de antwoorden op de overige vragen, door de verwijzende rechter nog eens expliciet gesteld.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 1, punt 3, van richtlijn 98/34/EG aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG het begrip „andere eis” ook betrekking heeft op de definitie van het percentage biobrandstoffen dat een bepaalde marktdeelnemer in overeenstemming met artikel 7 bis van richtlijn 98/70/EG, zoals ingevoerd bij richtlijn 2009/30/EG, en in overeenstemming met de doelstelling van artikel 3, lid 4, van richtlijn 2009/28/EG verplicht moet bijmengen in de brandstoffen die hij tot verbruik uitslaat, zoals het geval is in de bestreden nationale wetgeving?

2. Moet artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG, en in het bijzonder de zinsnede „tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm” betreft, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht die bijmengingspercentages vaststelt voor biobrandstoffen overeenkomstig artikel 7 bis, lid 2, van richtlijn 98/70/EG, ingevoerd bij richtlijn 2009/30/EG, en in overeenstemming met het in artikel 3, lid 4, van richtlijn 2009/28/EG neergelegde doelstelling?

3. Moeten artikel 4, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2009/30/EG en artikel 4, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/1513 aldus worden uitgelegd dat zij in dwingende communautaire besluiten vervatte vrijwaringsclausules zijn, in de zin van artikel 10, lid 1, derde streepje, van richtlijn 98/34/EG?

4. Voor zover het antwoord op de vorige vragen het antwoord op deze vraag niet overbodig maakt, moet artikel 8, lid 1, van richtlijn 98/34/EG dan aldus worden uitgelegd dat een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin het bijmengingspercentage voor biobrandstoffen is gedefinieerd en waarbij artikel 7 bis, lid 2, van richtlijn 98/70/EG, zoals ingevoerd bij richtlijn 2009/30/EG, is omgezet, niet aan een marktdeelnemer kan worden tegengeworpen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-26/11 Belgische Petroleum Unie

Specifiek beleidsterrein: IenW