C-604/25 en C-605/25 Energie-Control Austria I e.a. 

Contentverzamelaar

C-604/25 en C-605/25 Energie-Control Austria I e.a. 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 november 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     12 januari 2026

Trefwoorden: transmissietarieven, interne markt voor gas

Onderwerp: Richtlijn 2009/73 (gemeenschappelijke regels voor de interne markt van aardgas): artikel 41, lid 1, onder a); Verordening 2024/1789 (interne markten voor hernieuwbaar gas): artikel 17, lid 1.

De Oostenrijkse regulerende instantie ‘ECA’ heeft in 2024 ambtshalve een methode vastgesteld voor de berekening van transmissietarieven voor een transmissiesysteembeheerder (TSB), omdat deze geen eigen voorstel had ingediend. De TSB diende later alsnog een methode in, maar de ECA wees het verzoek af en stelde zelf een methode vast die geldt tot einde 2027. De Oostenrijkse rechter vraagt zich af of een nationale regulerende instantie zelf een methode mag vaststellen (i.p.v. alleen goedkeuren), en of de Oostenrijkse regeling in overeenstemming is met het Unierecht. 

Prejudiciële vragen (vragen zijn identiek voor C-604/25 en C-605/25):
1. Moet artikel 41, lid 1, onder a), van richtlijn 2009/73/EG, gelezen in samenhang met lid 6 van dat artikel en met artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 2024/1789 [voorheen artikel 13, lid 1, van verordening (EU) 715/2009], aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever bij de omzetting van artikel 41, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/73/EG, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 1, van verordening (EU) 2024/1789, ten aanzien van goed te keuren of vast te stellen methoden voor de berekening van transmissiesysteemtarieven ondubbelzinnig moet vaststellen of a. de nationale regulerende instantie uitsluitend bevoegd is om een methode in de zin van artikel 41, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/73/EG, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 1, van verordening (EU) 2024/1789, goed te keuren wanneer de betrokken TSB daartoe een passend verzoek heeft ingediend, dan wel of b. de regulerende instantie bevoegd is om op eigen initiatief ambtshalve, en zonder in dat verband rekening te houden met een ingediende aanvraag, een eigen methode vast te stellen. 
2. Indien de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat de nationale wetgever bij de omzetting van artikel 41, lid 1, onder a), en artikel 41, lid 6, onder a), van richtlijn 2009/73/EG een van de voornoemde varianten van punt a of punt b moet kiezen: moet de bepaling van § 69, lid 2, van het Gaswirtschaftsgesetz 2011 in overeenstemming worden gebracht met de genoemde bepalingen van het Unierecht, indien die bepaling voorschrijft dat de regulerende instantie de door de transmissiesysteembeheerder (TSB) „[...] overeenkomstig [...] voorgestelde methoden, hetzij op verzoek van de transmissiesysteembeheerder hetzij ambtshalve, op gezette tijden bij besluit goed” dient te keuren? 
3. Indien de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat de nationale wetgever geen ondubbelzinnige keuze ten aanzien van het toe te passen stelsel hoeft te maken: is een bepaling van nationaal recht verenigbaar met de hierboven genoemde Unierechtelijke bepalingen – gelet op artikel 41, lid 1, onder a), en artikel 41, lid 6, onder a), van richtlijn 2009/73/EG – als volgens die nationale bepaling de regulerende instantie ondanks een door een TSB ingediende aanvraag voor de goedkeuring van een methode, toch een andere methode dan die van de TSB-aanvraag ambtshalve definitief kan vaststellen op grond dat volgens de regulerende instantie voor de methode die de TSB heeft voorgesteld en die reeds werd gewijzigd, geen goedkeuring kan worden gegeven? 
4. Is een bepaling van nationaal procesrecht (gelet op de relevante rechtspraak van de hoogste rechterlijke instanties) verenigbaar met het Unierecht, wanneer die bepaling erin voorziet dat een rechterlijke instantie die belast is met de toetsing van een besluit van een regulerende instantie in de zin van artikel 41, leden 1 en 6, van richtlijn 2009/73/EG in het kader van een beroepsprocedure gehouden is om, zowel wanneer de voor de besluitvorming wezenlijke feiten vaststaan als wanneer deze niet vaststaan, zelf een beslissing ten gronde vast te stellen, waaronder ook valt dat de rechter de discretionaire regulerende bevoegdheid in dat geval in de plaats van die instantie moet uitoefenen? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-413/15; C-378/19 Prezident Slovenskej republiky; C-718/18 Commissie/Duitsland (Omzetting van de richtlijnen 2009/72 en 2009/73); C-261/20 Thelen Technopark Berlin.

Specifiek beleidsterrein: EZ (KGG)