C-610/14 Kolcunová

Contentverzamelaar

Terug C-610/14 Kolcunová

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   17 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   3 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   3 april 2015
Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke bedingen

Onderwerp
- Richtlijn87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, zoals gewijzigd en aangevuld bij richtlijn 98/7/EG van het EP en de Raad van 16 februari 1998;
- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Verzoekster Helena Kolcunová en verweerster Provident Financial, een kredietverstrekker, sluiten in oktober 2011 een consumentenkredietovereenkomst voor een gering bedrag (€ 600) en daarnaast een overeenkomst voor het waarborgen van de aflossing (in termijnen) daarvan. De totale kosten voor het krediet (rente, plus een vast bedrag aan administratieve en invorderingskosten) bedragen € 515,99. Verweerster blijkt de invorderingskosten te koppelen aan het geleende bedrag. Wat de administratieve kosten betreft is niet duidelijk voor welke prestatie zij verschuldigd zijn en op basis waarvan vastgesteld. In de overeenkomst wordt een jaarlijks kostenpercentage opgenomen maar daarin zijn de vergoedingen niet verwerkt zodat dit veel lager uitvalt dan in werkelijkheid. Wat de reden is voor het voorleggen aan de rechter wordt niet expliciet vermeld. Verzoekster stelt daarbij schending van haar consumentenrechten. Verweerster stelt dat de kosten duidelijk en transparant zijn, want in de vorm van een vast bedrag.
De verwijzende SLW rechter constateert dat de prestatie die de consument in ruil voor de kosten ontvangt niet duidelijk is, en hij vraagt zich af of RL 93/13 dat niet vereist. Het rentepercentage van het krediet is slechts 15%, waarnaast veel kosten voor nevendiensten worden opgelegd. De verschuiving van rente naar kosten werkt nadelig voor de transparantie van de voorwaarden van de overeenkomst en van de mededinging op de markt van consumentenkredieten. Hij heeft veel uitleggingsvragen, die hij voorlegt aan het HvJEU:
1. Moet richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [hierna: „richtlijn 93/13”] aldus worden uitgelegd dat de dienst waarmee de aflossing van het consumentenkrediet wordt gewaarborgd en die bestaat in het invorderen in contanten van de door de consument betaalde termijnen van het krediet, het eigenlijke voorwerp van de prestatie bij het consumentenkrediet vormt of het eigenlijke voorwerp van een afzonderlijke overeenkomst?
2. Moet richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, zoals gewijzigd en aangevuld bij richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998, aldus worden uitgelegd dat het jaarlijkse kostenpercentage ook de vergoeding voor de invordering in contanten van de termijnen van het krediet omvat, of een deel daarvan, wanneer die vergoeding aanzienlijk hoger is dan de kosten die voor die nevendienst noodzakelijk zijn, en moet artikel 14 van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat het jaarlijkse kostenpercentage wordt omzeild wanneer de vergoeding voor de nevendienst de kostprijs van die dienst aanzienlijk overschrijdt en niet is opgenomen in het jaarlijkse kostenpercentage?
3. Moet [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat het, om te voldoen aan het vereiste van transparantie van een nevendienst (indien het daadwerkelijk om een nevendienst gaat en niet om de prijs/vergoeding van het krediet zelf) waarvoor administratieve kosten worden betaald, volstaat dat de prijs van die administratieve dienst duidelijk en begrijpelijk (administratieve kosten) wordt aangegeven, ook al wordt niet nader aangegeven waarin die dienst bestaat?
4. Moet artikel 4, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat de administratieve kosten in de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage zijn opgenomen, betekent dat het gaat om de prijs/vergoeding van het krediet, en belet zulks rechterlijk toezicht op die kosten met het oog op de toepassing van die richtlijn?
5. Wanneer op vraag 3 wordt geantwoord dat het voorwerp van de administratieve dienst waarvoor die administratieve kosten moeten worden betaald, voldoende transparant is, vormt die administratieve dienst, samen met alle prestaties die deze kan meebrengen, dan het eigenlijke voorwerp van het consumentenkrediet?
6. Moet artikel 4, lid 2, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat voor de toepassing van deze richtlijn niet alleen de rente, maar ook de kosten van de kredietgever (ongeacht of zij zijn aangegeven in de overeenkomst, de algemene verkoopvoorwaarden of de tarieflijst) in de prijs/vergoeding van het krediet zijn inbegrepen, met als gevolg dat deze kosten, als eventuele prijs/vergoeding van het krediet, niet kunnen worden getoetst op hun evenredigheid met de dienst waarvoor zij moeten worden betaald?

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

Gerelateerde documenten