C-613/14 James Elliott Construction

Contentverzamelaar

Terug C-613/14 James Elliott Construction

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   17 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   3 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   3 april 2015
Trefwoorden: privaatrecht; Europese norm voor bouwproducten

Onderwerp
Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten.

Verweerster Irish Asphalt stelt een vordering in tegen verzoekster wegens constructiefouten die zijn ontstaan in door verzoekster afgeleverd werk met geleverde producten van verweerster. Bij de bouw van een jeugdcentrum in Dublin (2004) ontstaan scheuren in vloeren en muren. Voor de aanleg zijn specificaties voor het materiaal gevolgd die zijn vastgelegd in regels van het IER Ministerie van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid. Aangezien het gebouw niet kan worden gebruikt neemt verzoekster haar verantwoordelijkheid en voert herstelwerkzaamheden uit. Zij tracht de extra kosten op verweerster te verhalen omdat zij van mening is dat de schade te wijten is aan toevoeging van een verkeerde stof aan het geleverde materiaal (uitzetting door pyrietoxidatie). Het is de eerste keer dat dit in IER wordt geconstateerd. Een Canadees onderzoek uit 2001 heeft dit oxidatieproces beschreven, waaraan in de procedure wordt gerefereerd. De geadieerde Rb doet in 2011 uitspraak. Verweerster stelt daarin dat de schade is ontstaan door een ondeugdelijk ontwerp, maar de rechter oordeelt dat sprake is van uitzetting als gevolg van pyrietoxidatie. In hoger beroep (High Court) stelt de rechter vast dat het in de overeenkomst genoemde materiaal (genaamd ‘Clause 804’) zou moeten voldoen aan de Europese norm zoals vastgelegd in Rl 89/106. Maar vijf jaar na levering blijkt duidelijk dat niet aan die norm is voldaan, zodat kan worden vastgesteld dat verweerster haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Verweerster ontkent dat er, zoals het High Court oordeelt, in de overeenkomst sprake is van een impliciet beding met betrekking tot de geschiktheid van het materiaal voor een specifiek gegeven doel. Zij gaat in beroep bij de verwijzende rechter.

De verwijzende IER rechter (Supreme Court) gaat uitgebreid in op de toepasselijke norm voor toeslagmateriaal. Hij doet voor wat betreft de nationale vraagstukken op 2 december 2014 uitspraak waarbij verweersters beroep (naar nationaal recht) wordt verworpen. Verweerster stelt echter dat zij verplicht was een product te leveren dat voldoet aan de nationale norm = de omzetting van de Europese norm. Om de vraagstukken van Europees recht op te kunnen lossen legt hij de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1(a) Wanneer de voorwaarden van een privaatrechtelijke overeenkomst een partij verplichten een product te leveren dat is vervaardigd in overeenstemming met een nationale norm die de omzetting vormt van een Europese norm die is vastgesteld overeenkomstig een door de Commissie uit hoofde van de bouwproductenrichtlijn (89/106/EEG) verstrekt mandaat, is de uitlegging van die norm dan een aangelegenheid waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing kan worden verzocht krachtens artikel 267 VWEU?
(b) Indien vraag 1(a) bevestigend wordt beantwoord: schrijft de norm EN13242:2002 dan voor dat de naleving of niet-naleving van de bedoelde norm uitsluitend kan worden vastgesteld aan de hand van onderzoek op basis van de (buiten het verstrekte mandaat) door het CEN (Comité Européen de Normalisation) vastgestelde normen waarnaar in de norm EN13242:2002 wordt verwezen, en dat dergelijk onderzoek moet worden uitgevoerd tijdens de productie of bij levering; of kan de niet-naleving van de norm (en dus de niet-nakoming van de overeenkomst) worden vastgesteld op basis van later onderzoek indien uit de resultaten daarvan logischerwijs moet worden geconcludeerd dat het product niet in overeenstemming is met de norm?
2 Indien bij een nationale rechter een privaatrechtelijke vordering is ingesteld wegens niet-nakoming van een overeenkomst met betrekking tot een product dat is vervaardigd volgens een Europese norm die krachtens een mandaat van de Commissie in het kader van de bouwproductenrichtlijn is vastgesteld, is die rechter dan gehouden de voorschriften van aanvullend nationaal recht inzake voorwaarden met betrekking tot gebruikelijke handelskwaliteit, geschiktheid voor gebruik of andere kwaliteitsaspecten, buiten toepassing te laten op grond dat door de wettelijke bepalingen of de toepassing ervan normen worden opgesteld of technische specificaties of vereisten worden vastgesteld die niet in overeenstemming met de richtlijn technische normen (richtlijn 98/34/EG) zijn aangemeld?
3 Indien bij een nationale rechter een vordering aanhangig is gemaakt wegens niet-nakoming van een privaatrechtelijke overeenkomst als gevolg van vermeende niet-nakoming van een (krachtens de wet impliciet deel van de overeenkomst uitmakende en door de partijen niet gewijzigde of uitgesloten) voorwaarde betreffende de gebruikelijke handelskwaliteit of de geschiktheid voor gebruik van een in overeenstemming met de norm EN13242:2002 vervaardigd product, is die rechter dan verplicht uit te gaan van het vermoeden dat het product van deugdelijke handelskwaliteit en geschikt voor gebruik is, en zo ja, kan een dergelijk vermoeden alleen worden weerlegd door het bewijs van niet-naleving met de norm EN13242:2002 aan de hand van onderzoek dat in overeenstemming met de in de norm EN13242:2002 genoemde tests en protocollen bij levering van het product is uitgevoerd?
4 Indien zowel vraag 1(a) als vraag 3 bevestigend wordt beantwoord, geldt dan ingevolge of krachtens EN13242:2002 een grenswaarde voor het totale zwavelgehalte van toeslagmaterialen, zodat nakoming van die grenswaarde onder meer een vereiste zou zijn om het vermoeden met betrekking tot de handelskwaliteit of de geschiktheid voor gebruik te schragen?
5 Indien zowel vraag 1(a) als vraag 3 bevestigend wordt beantwoord, moet het product dan aantoonbaar van de CE-markering zijn voorzien om een beroep te kunnen doen op de veronderstelling bedoeld in bijlage ZA bij EN13242:2002 en/of artikel 4 van de bouwproductenrichtlijn (89/106/EEG)?

Specifiek beleidsterrein: IenM mede EZ

Gerelateerde documenten