C-613/20 Eurowings 

Contentverzamelaar

C-613/20 Eurowings 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     21 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     7 maart 2021

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers; staking

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening);

Feiten:

Verzoeker heeft een vlucht geboekt die door een staking van het cabinepersoneel van verweerster moest worden geannuleerd. De staking werd georganiseerd door de Duitse vakbond UFO en was het gevolg van cao-onderhandelingen met de moedermaatschappij van verweerster. De in eerste instantie alleen voor de ochtend (05:00 uur tot 11:00 uur) geplande staking werd op dezelfde dag ineens verlengd tot middernacht. Hierdoor moest verweerster 158 vluchten annuleren, waaronder ook de vlucht van verzoeker. Verzoeker vordert betaling van compensatie (250,00 EUR) overeenkomstig artikel 7(1)b) van de verordening. Bij deze staking gaat het volgens verzoeker niet om een buitengewone omstandigheid. Verweerster betwist de vordering. De staking werd volgens haar op 14 oktober 2019 slechts aangekondigd jegens Lufthansa, maar vervolgens op 18 oktober 2019 uitgebreid tot haar dochterondernemingen en dus ook tot verweerster. Het tijdsbestek werd spontaan en zonder aankondiging door de vakbond uitgebreid tot middernacht. Lufthansa heeft op 18 oktober 2019 ingebonden en een loonsverhoging van 2% afgekondigd. De waarschuwingsstakingen bij Lufthansa werden afgezegd, terwijl aan de staking bij verweerster werd vastgehouden, hoewel hiervoor iedere grondslag ontbrak. De staking behoorde daarmee niet tot de normale bedrijfsvoering van een luchtvaartmaatschappij en evenmin kon verweerster hier daadwerkelijk invloed op uitoefenen, temeer omdat de uitbreiding van de staking en de verlenging van het tijdsbestek een voor verweerster onvermijdelijke buitengewone omstandigheid vormden. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Overweging:

Bij de verwijzende rechter als rechter in hoger beroep zijn nog vier andere procedures aanhangig waarin verzoekende partijen op grond van identieke feiten compensatie vorderen. In deze zaken werden de vorderingen in eerste aanleg evenwel toegewezen. Eurowings GmbH, die ook in deze procedures de verwerende partij was, heeft in het kader van de procedures in hoger beroep naast een verzoek tot herziening in de zin van een afwijzing van de vordering subsidiair gevorderd het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over twee vragen inzake het aanmerken van een staking als buitengewone omstandigheid.

Prejudiciële vragen:

1. Kan een staking door werknemers van een luchtvaartmaatschappij waartoe is opgeroepen door een vakbond met het doel looneisen en/of sociale uitkeringen af te dwingen, een „buitengewone omstandigheid” vormen in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004?

2. Geldt dit op zijn minst, a) als werknemers van de dochteronderneming zich met de oproep tot staking tegen de moedermaatschappij (Lufthansa AG) solidair verklaren, teneinde door de vakbond ingestelde eisen van het cabinepersoneel van de moedermaatschappij te steunen, en b) in het bijzonder als de staking binnen de dochteronderneming na het bereiken van een akkoord binnen de moedermaatschappij „verzelfstandigt”, doordat de vakbond zonder aanwijsbare redenen aan de staking vasthoudt en deze zelfs uitbreidt, waarbij het cabinepersoneel van de dochteronderneming deze oproep volgt?

3. Is het voor het aantonen van een buitengewone omstandigheid van de kant van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, voldoende, als deze stelt dat de oproep tot staking, ondanks dat door de moedermaatschappij aan de eisen werd voldaan, zonder reden door de vakbond werd gehandhaafd en uiteindelijk zelfs werd verlengd, en wie draagt het risico, als in het betrokken geval de nadere omstandigheden hiervoor onduidelijk zijn gebleven?

4. Kan een op 18 oktober 2019 voor 20 oktober 2019 in het tijdsbestek van 5:00 uur tot 11:00 uur aangekondigde staking binnen de dochteronderneming van verweerster, die uiteindelijk op 20 oktober 2019 om 5.30 uur ook nog spontaan werd verlengd tot 24:00 uur, een omstandigheid vormen waarop geen daadwerkelijke invloed meer kan worden uitgeoefend?

5. Zijn maatregelen in de vorm van het opstellen van een alternatief vluchtplan en het opvangen van wegens gebrek aan cabinepersoneel uitgevallen vluchten door middel van subcharters, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met niet over land te bereiken bestemmingen en met het onderscheid tussen vluchten binnen Duitsland en vluchten binnen Europa, bij de situatie passende maatregelen, als men bovendien rekening houdt met het feit dat bij in totaal 712 uit te voeren vluchten op deze dag slechts 158 vluchten hoefden te worden geannuleerd?

6. Welke eisen dienen te worden gesteld aan de stelplicht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, dat alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen zijn getroffen die voor haar in technisch en economisch opzicht draaglijk zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-195/17; C-315/15;

Specifiek beleidsterrein: IenW