C-614/20 Lux Express Estonia

Contentverzamelaar

C-614/20 Lux Express Estonia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:   7 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    24 februari 2021

Trefwoorden : openbare diensten; grondrechten; openbaar personenvervoer; staatssteun

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad;

-           Mededeling van de Commissie betreffende interpretatieve richtsnoeren bij verordening (EG) nr. 1370/2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg

Feiten:

De particuliere ondernemingen Eesti Buss en Lux Express (verzoekster) hebben in augustus 2013 en in maart 2015 een communautaire vergunning voor personenvervoer verkregen. Zij verzorgden in Estland geregeld busvervoer voor commerciële doeleinden. Op 29-07-2019 werd Eesti Buss wegens haar fusie met Lux Express geschrapt uit het handelsregister. Op 05-06-2019 hebben Eesti Buss en Lux Express een schadevergoeding ten bedrage van 537 219 EUR gevorderd van de minister voor Economische Zaken en Infrastructuur. Zij voerden aan dat deze schade voortvloeide uit hun verplichting overeenkomstig §34 wet openbaar personenvervoer om bepaalde categorieën passagiers in het binnenlands geregeld vervoer voor commerciële doeleinden gratis te vervoeren zonder daarvoor een overheidscompensatie te ontvangen. De minister voor Economische Zaken en Infrastructuur heeft deze vordering afgewezen. Op 12-08-2019 heeft Lux Express bij de bestuursrechter een beroep tot schadevergoeding van 851 960 EUR ingesteld tegen Estland. De hoogte van de compensatie komt overeen met de inkomsten uit de verkoop van vervoerbewijzen, die Lux Express en Eesti Buss zijn misgelopen tussen 01-01-2018 en 31-07-2019. Verzoekster heeft tijdens de procedure haar vordering verhoogd tot 2 061 781 EUR, te weten het bedrag van de schade die beide ondernemingen tussen 01-01-2016 en 31-01-2020 hebben geleden. Zij vorderden de betaling van de compensatie plus rente. Subsidiair verzochten zij de verwijzende rechter om Estland te veroordelen tot betaling van een passende financiële compensatie plus rente.

Overweging:

De verwijzende rechter wenst in het kader van het onderzoek ten gronde te vernemen of de onderhavige situatie niet alleen naar nationaal recht wordt geregeld, maar ook door verordening 1370/2007. Deze verordening regelt de verrichting van diensten in het openbaar personenvervoer (artikel 1(1)). De vraag rijst of de huidige ook aldus kan worden opgevat dat daarbij een openbaredienstverplichting in de zin van artikel 2e) van verordening 1370/2007 wordt opgelegd. Mocht het Hof oordelen dat het onderhavige geding niet onder verordening 1370/2007 valt, dan rijst de vraag of de toekenning van een compensatie kan worden gebaseerd op een andere handeling van de Europese Unie (bijvoorbeeld het Handvest), dan wel of het geding uitsluitend op basis van het nationale recht moet worden beslecht. Indien de verwijzende rechter bij de beslechting van het geding beslist om een compensatie te verlenen, rijst vervolgens de vraag welke voorwaarden in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van de compensatie opdat deze niet in strijd is met de regels inzake staatssteun.

Prejudiciële vragen:

1) Moet de situatie waarin alle privaatrechtelijke ondernemingen die beroepsmatig personenvervoer over de weg, over het water en per spoor in het binnenland uitvoeren, dezelfde verplichting wordt opgelegd om bepaalde categorieën passagiers (kinderen die nog niet leerplichtig zijn, personen met een beperking die nog geen 16 jaar oud zijn, personen met een zeer ernstige beperking die minstens 16 jaar oud zijn, personen met een ernstige visuele beperking en de begeleider van een persoon met een zeer ernstige of ernstige visuele beperking, alsmede de blindengeleidehond of de assistentiehond van  een persoon met een beperking) gratis te vervoeren, worden behandeld als het opleggen van een openbaredienstverplichting in de zin van artikel 2, onder e), en artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad?

2) Indien het om een openbaredienstverplichting in de zin van verordening nr. 1370/2007 gaat: mag een lidstaat op grond van artikel 4, lid 1, onder b), i), van verordening nr. 1370/2007 de betaling van een compensatie aan de vervoerder voor het vervullen van een dergelijke verplichting uitsluiten door een nationale wet vast te stellen? Onder welke voorwaarden kan een lidstaat die een compensatie aan de vervoerder mag uitsluiten, daartoe overgaan?

3) Is het volgens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1370/2007 toegestaan om algemene regels tot vaststelling van maximumtarieven voor andere dan de in deze bepaling genoemde categorieën passagiers uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze verordening? Geldt de verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie uit hoofde van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ook wanneer de algemene regels tot vaststelling van maximumtarieven niet voorzien in een compensatie voor de vervoerder?

4) Indien verordening nr. 1370/2007 in het onderhavige geval niet van toepassing is: Kan de toekenning van compensatie worden gebaseerd op een andere handeling van de Europese Unie (zoals het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie)?

5) Aan welke voorwaarden moet de eventueel aan de vervoerder te verlenen compensatie voldoen om te stroken met de regels inzake staatssteun?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK