C-615/21 Napfeny Toll

Contentverzamelaar

Terug C-615/21 Napfeny Toll

Prejudiciële hofzaak C-615/21 Napfeny Toll

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    28 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    14 februari 2022

Trefwoorden : belastingdienst, verjaring, rechterlijke toetsing, rechtszekerheid en doeltreffendheid

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

Feiten:

Verzoekster heeft in de in het geding aan de orde zijnde periode, te weten in juni 2010 en tussen november 2010 en september 2011 (betrokken periode), de btw over door haar verworven goederen afgetrokken van de door haar verschuldigde belasting. De belastingdienst Zuid-Boedapest heeft bij machtiging van 09-12-2011 een controle uitgevoerd over de betrokken periode. Daarbij is gebleken dat bepaalde van de door verzoekster verworven goederen in werkelijkheid niet afkomstig waren van de ondernemingen die de facturen aan haar hadden uitgereikt. De belastingdienst Zuid-Boedapest heeft bij besluit van 08-10-2015 een belastingverschil van 144 785 000 HUF ten laste van verzoekster vastgesteld dat in zijn geheel als belastingschuld is aangemerkt, en heeft verzoekster een fiscale boete opgelegd, vermeerderd met vertragingsrente. Volgens de motivering van het besluit lagen aan een deel van de betrokken facturen geen werkelijke economische handelingen ten grondslag; voor een ander deel hadden er wél economische handelingen plaatsgevonden, maar was met medeweten van verzoekster belastingfraude gepleegd. De rechtsvoorgangster van verweerster (afdeling bezwaren van de nationale belasting en douanedienst van Hongarije) heeft dit besluit bij besluit van 11-12-2015 gewijzigd met betrekking tot de vertragingsrente en bevestigd voor het overige. Beslissend op het door verzoekster ingestelde beroep heeft de bestuurs en arbeidsrechter het besluit op bezwaar bij beslissing van 02-03-2018, die onherroepelijk is geworden op dezelfde dag, nietig verklaard eb zaak terugverwezen voor een nieuwe procedure. Verweerster heeft bij haar besluit van 06-04-2020, dat in het kader van de onderhavige procedure wordt bestreden, het primaire besluit gewijzigd wat de vertragingsrente betreft, en bevestigd voor het overige. Verzoekster verzoekt in haar beroepschrift om nietigverklaring van het bestreden besluit inclusief het primaire besluit. Daartoe voert zij onder meer aan dat het recht van de belastingdienst om de belasting vast te stellen krachtens § 164, leden 1 en 5, van het oude wetboek fiscaal procesrecht vóór de datum van het bestreden besluit al was verjaard, zodat het bestreden besluit niet ten gronde kan worden onderzocht.

Overweging:

§164, lid 5, van het oude wetboek fiscaal procesrecht en § 203, lid 3, van het nieuwe wetboek fiscaal procesrecht regelen de schorsing van de verjaring tijdens de rechterlijke toetsing van een administratief besluit in wezen op dezelfde wijze. Geen van deze bepalingen voorziet in enige beperking ten aanzien van de tijdsduur van de schorsing of maakt een uitzondering voor besluiten van de belastingdienst die naar het oordeel van de rechter niet voor inhoudelijke toetsing in aanmerking komen. Volgens de Hongaarse wetgeving en de relevante rechtspraak van de Kúria is de schorsing van de verjaring in geval van rechterlijke toetsing derhalve niet in de tijd beperkt en vormen rechterlijke procedures die worden gevoerd met betrekking tot nietig verklaarde besluiten van de belastingdienst geen uitzondering op deze regel. Het doeltreffendheidsbeginsel, dat door het Hof ook in btw-gerelateerde zaken regelmatig is onderzocht, vereist dat de nationale procedureregels het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om op Unierecht gebaseerde vorderingen geldend te maken. De verwijzende rechter is van oordeel dat de onredelijk lange duur van de belastingprocedure ter beoordeling van de materiële voorwaarden van het recht op belastingaftrek tot gevolg heeft dat de uitoefening van het recht op belastingaftrek uiterst moeilijk wordt gemaakt. Op basis van al het voorgaande heeft de verwijzende rechter twijfels over de vraag of de bovengenoemde regeling en de daarop gebaseerde rechtspraktijk verenigbaar is met de Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid en doeltreffendheid.

Prejudiciële vragen:

Moeten de beginselen van rechtszekerheid en doeltreffendheid, die deel uitmaken van het Unierecht, aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals § 164, lid 5, van az adózás rendjéről szóló 2003. évi XCII. törvény (wet nr. XCII van 2003 tot vaststelling van het wetboek fiscaal procesrecht; hierna: „oud wetboek fiscaal procesrecht”), die de rechter geen beoordelingsbevoegdheid laat, en de daarop gebaseerde praktijk volgens welke de verjaring van het recht van de belastingdienst om de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw)” vast te stellen tijdens de volledige duur van de bestuursrechtelijke beroepsprocedures wordt geschorst, ongeacht het aantal nieuwe procedures na terugverwijzing door de rechter, en de duur van de periodes van schorsing tijdens de bestuursrechtelijke beroepsprocedures zonder beperking in de tijd bij elkaar wordt opgeteld, ook wanneer de rechter met betrekking tot het besluit van de belastingdienst dat is genomen in een nieuwe procedure na terugverwijzing heeft vastgesteld dat de belastingdienst niet had voldaan aan de aanwijzingen die de rechter in een eerdere procedure had gegeven, dat wil zeggen dat het aan de belastingdienst te wijten is dat er wederom een bestuursrechtelijke beroepsprocedure is ingesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-14/83), (C-106/89), (C-334/92), (C-91/92), (C-397/01 tot en met C-403/01), Plantanol Gmbh (C-201/08), Belgocodex (C-381/97), Goed Wonen (C-376/02), Netto Supermarkt (C-271/06), technoRent International e.a. (C-844/19), Volkswagen (C-533/16), LVK (C-643/11), Ecotrade SpA (C-95/07 en C-96/07)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal