C-620/21 MOMTRADE RUSE

Contentverzamelaar

Terug C-620/21 MOMTRADE RUSE

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    7 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    23 januari 2022

Trefwoorden : BTW, sociale diensten, belastingvrijstelling

Onderwerp :

-           Verordening 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn)

Feiten:

Momtrade Ruse is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die hoofdzakelijk extramurale sociale diensten aanbiedt. Sinds 24-06-2014 is zij conform de ZDDS (wet betreffende de belasting over de toegevoegde waarde) op vrijwillige basis geregistreerd. In het kader van de belastingcontrole die werd afgesloten met de naheffingsaanslag van 04-10-2018, heeft Momtrade Ruse dienstenovereenkomsten met meerdere natuurlijke personen met de Duitse en/of de Oostenrijkse nationaliteit als opdrachtgevers overgelegd. Krachtens deze overeenkomsten stelde de vennootschap werknemers ter beschikking om de opdrachtgevers te verzorgen en hulp bij het huishouden te bieden. Overeenkomstig verordening 904/2010 hebben de Duitse belastingautoriteiten een uitwisseling van inlichtingen gestart. Daarop werd vastgesteld dat de diensten niet onderworpen zijn aan Duitse belasting, maar volgens de ZDDS in Bulgarije moeten worden belast. Op basis van de door de gecontroleerde vennootschap verstrekte documenten stelden de voor inkomsten bevoegde instanties vast dat er geen sprake was van een overeenkomst voor het verlenen van „sociale diensten”, aangezien de individuele behoefte van de klanten ontbrak. Zij gingen ervan uit dat, aangezien de dienst in werkelijkheid in een andere lidstaat wordt verricht, niet alleen de ZSP, maar ook Duits of Oostenrijks recht relevant is. Momtrade Ruse kan krachtens artikel 40, punt 1, ZDDS slechts worden vrijgesteld indien zij bewijzen aandraagt die volgens het recht van de desbetreffende andere lidstaat aantonen dat de op zijn grondgebied verrichte diensten van sociale aard zijn.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de in artikel 132 van richtlijn 2006/112 bedoelde vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, aangezien zij afwijken van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of een handelsonderneming die in een lidstaat als aanbieder van sociale diensten is geregistreerd, zich op deze bepaling kan beroepen om aanspraak te maken op een belastingvrijstelling voor sociale diensten die door haar aan natuurlijke personen die onderdaan zijn van andere lidstaten, in deze staten zijn verstrekt, en of voor het antwoord op deze vraag van belang is dat de afnemers van de diensten zijn aangebracht door handelsondernemingen die zijn geregistreerd in de lidstaat waar de diensten worden verricht. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord en de krachtens artikel 132, lid 1, van richtlijn 2006/112 vrijgestelde leveringen autonome begrippen van Unierecht zijn, maar de richtlijn geen criteria voor de definitie van deze begrippen of regels voor het bewijs van juridisch relevante feiten bevat, verzoekt de verwijzende rechter vervolgens om toelichting over de uitlegging en de toepassing van deze Unierechtelijke bepaling, en in het bijzonder of telkens naar Bulgaars en/of naar Oostenrijks en Duits recht moet worden beoordeeld of de gecontroleerde vennootschap als „instelling van sociale aard erkend” is en of bewezen wordt geacht dat het gaat om diensten „welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid”. Ten slotte wenst de rechter in dit verband te vernemen of de omstandigheid dat de handelsonderneming is geregistreerd als aanbieder van sociale diensten zoals deze naar nationaal recht zijn omschreven, volstaat om aan te nemen dat de vennootschap een instelling vormt die door de betrokken lidstaat als „instelling van sociale aard wordt erkend”.

Prejudiciële vragen:

1) Kan artikel 132, lid 1, onder g), van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat een handelsonderneming die in een lidstaat (in casu Bulgarije) als aanbieder van sociale diensten is geregistreerd, zich op deze bepaling kan beroepen om aanspraak te maken op een belastingvrijstelling voor sociale diensten die zij aan natuurlijke personen die onderdaan zijn van andere lidstaten, in die lidstaten heeft verstrekt? Is voor het antwoord op deze vraag van belang dat de aanbieder de afnemers van de diensten zijn aangebracht door handelsondernemingen die zijn geregistreerd in de lidstaten waar de diensten worden verricht?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: op basis van welke criteria en volgens welk recht – Bulgaars en/of Oostenrijks en Duits recht – moet bij de uitlegging en de toepassing van de aangevoerde bepaling van Unierecht worden beoordeeld of de gecontroleerde vennootschap „als instelling van sociale aard erkend” is en bewezen wordt geacht dat het gaat om diensten „welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid”?

3) Volstaat volgens deze uitlegging de omstandigheid dat een handelsonderneming is geregistreerd als aanbieder van sociale diensten zoals deze naar nationaal recht zijn omschreven, om de onderneming aan te merken als een instelling die door de betrokken lidstaat als „instelling van sociale aard wordt erkend”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: go fair” Zeitarbeit, ( С -594/13), Horizon College, ( С -434/05), Commissie/Nederland, ( С -79/09), , ( С -174/11), Klinikum Dortmund ( С -366/12), Commissie/Duitsland, ( С -616/15), TMD ( С -412/15), VDP Dental Laboratory e.a., ( С -144/13, С -154/13 en С -160/13), ( С -18/12), Les Jardins de Jouvence (C-335/14)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal