C-625/20 INSS

Contentverzamelaar

C-625/20 INSS

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     12 maart 2021

Trefwoorden : sociale zekerheid; gelijke behandeling; discriminatie; arbeid en beroep

Onderwerp :

-           Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid;

-           Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking);

Feiten:

Verzoekster is zowel in 1998 als in 2016 arbeidsongeschikt verklaard bij besluiten van het nationaal instituut voor sociale zekerheid( hierna: INSS). Vanaf 19-11-1998 ontving verzoekster de daarbij behorende uitkering aangezien zij als gevolg van een niet-beroepsziekte blijvend en volledig arbeidsongeschikt was verklaard (zij was destijds administratief medewerkster). Het huidige beroep van verzoekster is ondersteunend medewerkster en op 20-03-2018 werd verzoekster bij besluit blijvend en volledig arbeidsongeschikt verklaard als gevolg van een niet-werkgerelateerd ongeval, en is aan haar de daarbij behorende uitkering toegekend. Hoewel beide uitkeringen aan verzoekster zijn toegekend in verband met verschillende beroepen, naar aanleiding van verschillende klachten en voor verschillende tijdvakken, en de bedragen ervan zijn berekend op basis van verschillende bijdragegrondslagen, is het INSS van mening dat de uitkeringen op grond van het bepaalde in art. 163.1 LGSS onverenigbaar zijn. De uitkeringen zouden volgens de rechtspraak wel verenigbaar zijn, indien zij zouden zijn toegekend op basis van verschillende socialezekerheidsstelsels. Verzoekster stelt dat art. 163.1 LGSS in strijd is met artikel 4 van richtlijn 79/7 en artikel 5 van richtlijn 2006/54. Aangezien het percentage vrouwen in de bijzondere stelsels veel lager is dan dat van mannen, stelt zij dat het stelsel van onverenigbaarheden leidt tot indirecte discriminatie op grond van geslacht, omdat dit stelsel de verenigbaarheid in sterkere mate belemmert voor vrouwen.

Overweging:

Art. 163.1 LGSS bepaalt dat pensioenen op basis van het algemene stelsel, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, niet kunnen worden gecombineerd, wanneer de begunstigde ervan één en dezelfde persoon is, en dat degene die recht heeft op twee of meer pensioenen, dient te kiezen voor één ervan. Voorts beperkt de rechtspraak de onverenigbaarheid tot uitkeringen op basis van één en hetzelfde socialezekerheidsstelsel, wat betekent dat uitkeringen op basis van verschillende stelsels, wél kunnen worden gecombineerd. De vraag rijst of de Spaanse socialezekerheidsregeling leidt tot discriminatie op grond van geslacht en gender en derhalve in strijd is met Unieregeling waarin het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen is neergelegd.

Prejudiciële vragen:

1. Is, gelet op de verhouding tussen mannen en vrouwen in de verschillende Spaanse  socialezekerheidsstelsels, de Spaanse regeling inzake de verenigbaarheid van uitkeringen waarin art. 163.1 LGSS voorziet, zoals uitgelegd in de rechtspraak, volgens welke twee op basis van één en hetzelfde socialezekerheidsstelsel toegekende uitkeringen wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid niet kunnen worden gecombineerd, terwijl dit bij uitkeringen die worden toegekend op basis van verschillende socialezekerheidsstelsels wel mogelijk is, ook al zijn de uitkeringen in beide gevallen gebaseerd op afzonderlijke bijdragen, in strijd met de Europese regeling waarin is voorzien in art. 4 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid en in art. 5 van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)?”

2. Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: „Is de Spaanse regeling dan in strijd met voormelde Europese regeling, indien aan beide uitkeringen verschillende letsels ten grondslag liggen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: