C-626/25 Landsbanki Luxembourg  

Contentverzamelaar

C-626/25 Landsbanki Luxembourg  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 november 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     3 januari 2026

Trefwoorden: insolventieprocedure, bevoegdheid rechtbank, litispendentie, consumentenbescherming

Onderwerp: Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid: artikel 24 en artikel 35, lid 2; Verordening 1215/2012 (Brussel I): artikel 15, lid 1, artikel 16, lid 1, artikel 24 en artikel 35.

Verzoekers hebben tussen 2005 en 2006 twee kredietleningen afgesloten met een bank in Luxemburg. In 2008 werd de liquidatie van de bank uitgesproken, en wilden de kredietnemers hun schuldvordering in de Luxemburgse insolventieprocedure opnemen. In 2011 heeft de rechtbank alle vorderingen afgewezen van kredietnemers, en de tegenvordering van een vereffenaar beoordeeld tot betaling van het saldo van de overeenkomsten. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard in Frankrijk. Verzoekers stellen hier cassatieberoep tegen in, en beweren dat tegenvorderingen alleen bij hun woonplaatsrechter ingesteld kunnen worden omdat zij consumenten zijn. De Franse rechter stelt vragen over deze bevoegdheden.

Prejudiciële vragen: 
1) Moet artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd dat het feit dat een in een lidstaat woonachtige partij haar schuldvordering in een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure heeft ingediend, ertoe leidt dat het gerecht van de insolventieprocedure het bevoegde gerecht wordt voor een tegen deze partij ingestelde tegenvordering, ook al stelt deze partij een consument te zijn? 

2) Moet artikel 24 van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat een exceptie van litispendentie, waarmee een partij die stelt een consument te zijn, uitdrukkelijk de bevoegdheid van het gerecht van zijn woonplaats krachtens artikel 15 van deze verordening inroept, een betwisting van de bevoegdheid van het aangezochte gerecht in de zin van die bepaling inhoudt? 

3) Moet artikel 35, lid 2, van verordening nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat, wanneer een partij voor het gerecht van een lidstaat haar hoedanigheid van consument inroept om zich te beroepen op de bevoegdheid van de gerechten van haar woonplaats, de omstandigheid dat dit gerecht niet de feiten heeft vastgesteld op basis waarvan kan worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 15 van deze verordening is voldaan, tot gevolg heeft dat de gerechten van de aangezochte lidstaat het recht wordt ontnomen om, gelet op alle relevante omstandigheden, te onderzoeken of de bevoegdheidsregels ter bescherming van de consument van toepassing waren en zijn nageleefd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C 111/09 ČPP Vienna Insurance Group; C-463/06, FBTO Schadeverzekeringen.

Specifiek beleidsterrein: JenV
 

Gerelateerde documenten