C-628/21 Castorama Polska et Knor

Contentverzamelaar

Terug C-628/21 Castorama Polska et Knor

Prejudiciële hofzaak C-628/21 Castorama Polska et Knor

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    25 januari 2022

Trefwoorden : intellectuele eigendomsrechten, auteursrecht, verzoek om informatie

Onderwerp :

Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

Feiten:

TB, de rechthebbende in het hoofdgeding, is eigenaar van webwinkels met siervoorwerpen. In het kader van haar commerciële activiteit verkoopt zij machinaal door haar vervaardigde reproducties van afbeeldingen, aangeduid als A, B en C. De rechthebbende beroept zich erop dat zij de ontwerper van de door haar gereproduceerde afbeeldingen is en dat deze afbeeldingen werken in de zin van het auteursrecht zijn. Getrouwe kopieën van de afbeeldingen A en B worden zonder goedkeuring van de rechthebbende verkocht in de webwinkel en in de fysieke winkels van betrokkene nr. 1 (de vennootschap Castorama Polska), die deze kopieën aangeleverd krijgt door betrokkene nr. 2 (de vennootschap Knor). Na betrokkene nr. 1 te hebben aangemaand de inbreuken op het auteursrecht te staken heeft de rechthebbende de verwijzende rechter bij verzoekschrift van 15-12-2020 verzocht de betrokkenen te verplichten tot het verstrekken van inlichtingen over het distributiekanaal, de datum waarop de goederen voor het eerst in de fysieke winkels en de webwinkel te koop zijn aangeboden, de hoeveelheid goederen die in de fysieke winkels en de webwinkel zijn verkocht en de prijs die uit de verkoop van de goederen is verkregen. Betrokkene nr. 1 heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft verzocht in voorkomend geval een zo eng mogelijke uitspraak te doen die beperkt blijft tot werken in de zin van het auteursrecht. De betrokkene heeft zich tevens beroepen op de bescherming van bedrijfsgeheimen alsook op het feit dat de rechthebbende niet heeft aangetoond dat zij ten aanzien van de verkochte goederen over vermogensrechten beschikt, aangezien de scheppingen van de geest waarop haar verzoek betrekking heeft, geen originelen zijn. Na kennisneming van het antwoord van betrokkene nr. 1 heeft de rechthebbende geen bewijsaanbiedingen verricht om het bestaan van intellectuele-eigendomsrechten aan te tonen. Betrokkene nr. 1 heeft aangevoerd dat de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig artikel 8 van richtlijn 2004/48, moet worden aangetoond en niet louter aannemelijk moet worden gemaakt.

Overweging:

De verwijzende rechter moet zich uitspreken over de gegrondheid van een verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van goederen of diensten die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht. De uitspraak is afhankelijk van de vaststelling of de rechthebbende houder van een intellectuele-eigendomsrecht is. Dit hangt dan weer af van de vraag of de rechten waarop de rechthebbende zich beroept betrekking hebben op goederen die worden beschermd door richtlijn 2004/48 en of deze omstandigheid in de procedure betreffende het verzoek om informatie moet worden aangetoond dan wel louter aannemelijk moet worden gemaakt. Indien artikel 8, lid 1, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het ziet op maatregelen ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten die enkel kunnen worden getroffen wanneer een inbreuk wordt aangetoond met betrekking tot een goed waarop de rechthebbende een auteursrecht heeft, moet het verzoek ter zake namelijk worden afgewezen indien de rechter bij gebreke van vakkennis niet in staat is om zonder bijstand van een deskundige zelf een beoordeling te maken. Indien het daarentegen volstaat om dit aannemelijk te maken en het bestaan van een intellectuele-eigendomsrecht in de betreffende procedure niet hoeft te worden vastgesteld maar enkel aannemelijk moet worden gemaakt, moet het verzoek om informatie in zijn geheel worden toegewezen. Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, stelt de verwijzende rechter voor om de vraag onder b) ontkennend te beantwoorden, in die zin dat het niet volstaat om aannemelijk te maken dat de betreffende maatregel ziet op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht maar deze omstandigheid moet worden bewezen.

Prejudiciële vragen:

a) Moet artikel 8, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op een maatregel ter bescherming van intellectuele eigendomsrechten die slechts kan worden genomen wanneer in de betreffende procedure of in een andere procedure wordt vastgesteld dat de rechthebbende houder van een intellectuele-eigendomsrecht is? – indien de vraag onder a) ontkennend wordt beantwoord:

b) Moet artikel 8, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het volstaat om aannemelijk te maken dat de betreffende maatregel ziet op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht en geen bewijs van de omstandigheden daarvan moet worden geleverd, met name wanneer het verzoek om informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de goederen of diensten voorafgaat aan het onderzoek van schadevorderingen wegens een inbreuk op intellectueleeigendomsrechten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Infopaq International (C-5/08), NEW WAVE CZ (C-427/15),

Specifiek beleidsterrein: EZK, JenV

Gerelateerde documenten