C-630/21 Mercedes-Benz Bank   

Contentverzamelaar

Terug C-630/21 Mercedes-Benz Bank   

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    7 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    23 januari 2022

Trefwoorden : kredietovereenkomst, consumenten, herroepingsrecht

Onderwerp :

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

-           Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad

-           Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad

-           Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten

Feiten:

De Mercedes-Benz Bank AG verstrekte O.K. als consument bij overeenkomst van 16-06-2012 een lening ter financiering van de koopprijs van een motorvoertuig. Het ten tijde van de sluiting van de overeenkomst geldende vertragingsrentepercentage was in de contractdocumenten niet vermeld. O.K. betaalde de lening conform de overeenkomst terug. De overeenkomst was daarmee volledig uitgevoerd. Bij brief van 25-09-2018 herriep O.K. de kredietovereenkomst en vorderde terugbetaling van de betaalde bedragen. Het Landgericht Stuttgart (rechter in eerste aanleg) heeft het beroep verworpen. Het wijst erop dat de kredietovereenkomst volledig is uitgevoerd en dat er sindsdien meer dan drie jaar zijn verstreken. Derhalve kan O.K. zich niet meer te goeder trouw op een herroepingsrecht beroepen. Volgens O.K. is de termijn voor de uitoefening van zijn herroepingsrecht nog niet verstreken, omdat deze termijn nog niet eens is ingegaan. Hij stelt niet alle informatie te hebben ontvangen die krachtens het Unierecht en de relevante nationale bepalingen vereist is.

Overweging:

Met betrekking tot de eerste vraag stelt de verwijzende rechter dat in richtlijn 2008/48 niet expliciet is geregeld of en, zo ja, wanneer het herroepingsrecht in de zin van artikel 14 van die richtlijn tenietgaat. Volgens de verwijzende rechter valt er veel voor te zeggen dat het herroepingsrecht niet meer bestaat wanneer de kredietovereenkomst door beide partijen volledig is uitgevoerd. Daarnaast geeft de verwijzende rechter aan dat als sinds de sluiting van de kredietovereenkomst een bepaalde tijd is verstreken en de overeenkomst volledig is uitgevoerd, een consument die zich op zijn herroepingsrecht krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 beroept, naar nationaal recht in individuele gevallen te kwader trouw kan handelen (rechtspraak van de hoogste nationale rechter). Het nationale recht bepaalt namelijk dat de schuldenaar verplicht is de prestatie te goeder trouw uit te voeren overeenkomstig hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het is de vraag of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 in de weg staat aan deze uitlegging van het nationale recht. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of richtlijn 2008/48 geharmoniseerde bepalingen bevat voor alle rechtsgevolgen van een rechtsgeldige herroeping – met als gevolg dat de lidstaten in hun nationale wetgeving geen bepalingen mogen handhaven of invoeren die van de bepalingen van die richtlijn afwijken (artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48) – dan wel alleen voor de rechten van de kredietgever.

Prejudiciële vragen:

a) Moet artikel 14 van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat de consument geen herroepingsrecht meer heeft wanneer de kredietovereenkomst door beide partijen volledig is uitgevoerd?

b) Indien vraag a) ontkennend wordt beantwoord:

Staat artikel 14 van richtlijn 2008/48 in de weg aan een regeling in het nationale recht van een lidstaat die ertoe leidt dat de consument zijn herroepingsrecht niet meer kan uitoefenen wanneer de kredietovereenkomst door beide partijen volledig is uitgevoerd?

c) Indien vraag a) ontkennend en vraag b) bevestigend wordt beantwoord:

Staat artikel 14, lid 3, van richtlijn 2008/48 in de weg aan een regeling in het nationale recht van een lidstaat op grond waarvan een consument die zijn herroepingsrecht krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 rechtsgeldig heeft uitgeoefend, van de kredietgever de teruggave kan vorderen van de voordelen die de kredietgever heeft verkregen uit de betalingen die de consument tot de herroeping heeft gedaan aan de kredietgever?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Volkswagen Bank e.a.  (C-33/20, C-155/20 en C-187/20), Kreissparkasse Saarlouis (C-66/19), (C-412/06)

Specifiek beleidsterrein: EZK