C-631/17 Inspecteur van de Belastingdienst

Contentverzamelaar

C-631/17 Inspecteur van de Belastingdienst

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    26 december 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    12 februari 2018

Trefwoorden: sociale zekerheid; verzekeringen

Onderwerp:
-           Verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

Feiten:

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van €10.134 en een premie-inkomen van €10.134. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag waarna de Inspecteur de aanslag verminderde. De Inspecteur heeft een vrijstelling toegepast voor de belastingheffing. De heffing van premie volksverzekeringen is gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Voor de rechtbank is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende over de periode van 13.08.2013 t/m 31.12.2013 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Belanghebbende heeft de Letse nationaliteit en woonde in het jaar 2013 in Letland. Belanghebbende was van 13.08.2013 t/m 31.12.2013 in dienstbetrekking werkzaam bij Oceanwide Offshore Services B.V., gevestigd in Nederland. Belanghebbende was als zeevarende werkzaam als steward op een zeeschip, dat voer onder de vlag van de Bahama's. Het zeeschip lag in de periode dat belanghebbende daar werkte boven het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee.

Overweging:

Anders dan verordening 1408/71 (arresten Kik en Aldewereld) bevat verordening 883/2004 een algemeen geformuleerde aanwijsregel (artikel 11(3)e) voor eenieder op wie de bepalingen van artikel 11(3)a t/m d en de artikelen 12 t/m 16 van verordening 883/2004 niet van toepassing zijn. Anders dan in het systeem van verordening 1408/71, dat in artikel 13(2)f slechts een beperkt toepasbare restbepaling bevatte, bestaat er in het systeem van verordening 883/2004 volgens de verwijzende rechter daardoor geen lacune die (onder meer) in gevallen als het onderhavige de noodzaak met zich brengt om een van de overige aanwijsregels overeenkomstig toe te passen. Het is evenwel niet buiten redelijke twijfel dat de opvatting van de verwijzende rechter juist is. Daarom zal de verwijzende rechter overgaan tot het stellen van een prejudiciële vraag daarover aan het Hof.

Prejudiciële vraag:

De wetgeving van welke lidstaat wordt door verordening 883/2004 aangewezen in een situatie waarbij het gaat om een belanghebbende die
(a)        in Letland woont,
(b)       de Letse nationaliteit heeft,
(c)        in dienst is van een in Nederland gevestigde werkgever,
(d)       als zeevarende werkzaam is,
(e)       zijn arbeid verricht aan boord van een zeeschip dat vaart onder de vlag van de Bahama's,
(f)        en deze werkzaamheden verricht buiten het grondgebied van de Europese Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kik C-266/13; Aldewereld C-60/93.

Specifiek beleidsterrein: SZW; FIN-fiscaal; EZK