C-632/21 Diamond Resorts Europe e.a.

Contentverzamelaar

C-632/21 Diamond Resorts Europe e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    8 februari 2022

Trefwoorden : verbintenissen, onroerende goederen, ondernemingen, Rome I

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)

- Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (Verdrag van Rome)

Feiten:

Bij de verwijzende rechter is een vordering ingesteld tot nietigverklaring van twee overeenkomsten (bestreden overeenkomsten) tussen de Engelse onderneming DIAMOND RESORTS EUROPE LIMITED (filiaal in Spanje) en verzoekers in het onderhavige geding, JF en NS, die de Britse nationaliteit hebben. De overeenkomsten hebben betrekking op de aankoop van punten die kunnen worden ingezet om gebruik te maken van accommodatie van een club die eigendom is van verweerster. Verzoekers vorderen nietigverklaring van de bestreden overeenkomsten op grond dat deze niet voldoen aan de vereisten van twee nationale wetten. Verweerster betwist de vordering om onder meer de volgende redenen: de persoonlijke aard van dit type overeenkomsten; de onterechte toepassing van het Spaanse recht op dergelijke overeenkomsten terwijl het Engelse recht zou moeten worden toegepast, aangezien verzoekers onderdanen zijn van en hun gewone verblijfplaats hebben in het Verenigd Koninkrijk en de verwerende onderneming aldaar haar statutaire zetel heeft, en de verenigbaarheid van al het voorgaande met zowel het Verdrag van Rome van 1980 als de Rome I-verordening.

Overweging:

In de eerste plaats rijst de vraag welk recht van toepassing is op de bestreden overeenkomsten in het licht van de diverse collisieregels van het Verdrag van Rome en de Rome I-verordening. De verwijzende rechter verklaart dat volgens de rechtspraak van twee rechterlijke instantie in tweede aanleg het Spaanse recht van toepassing is, hetzij op grond van artikel 3 van de Rome I-verordening, hetzij op grond van artikel 4 van dezelfde verordening. Gezien het feit dat het Verdrag van Rome van toepassing was ten tijde van de sluiting van de overeenkomst van 2008, vraagt de verwijzende rechter zich tevens af of de Rome I-verordening van toepassing is op overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van die verordening zijn gesloten, dan wel of de eerdere regeling wordt gehandhaafd. Gelet op het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie betwijfelt de verwijzende rechter bovendien of het Unierecht nog steeds van toepassing is op onderdanen van die staat. Ten slotte wenst de verwijzende rechter dat de aard van de contractuele verbintenis tussen partijen wordt opgehelderd. Het is volgens hem onduidelijk of de bestreden overeenkomsten resulteren in zakelijke rechten of persoonlijke rechten die voortvloeien uit het lidmaatschap van een vereniging, aangezien de rechten ook kunnen worden beschouwd als rechten op de huur van onroerend goed.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst en verordening nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op overeenkomsten waarbij beide partijen onderdanen van het Verenigd Koninkrijk zijn?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2. Moet verordening nr. 593/2008 aldus worden uitgelegd dat zij krachtens artikel 24 ervan van toepassing is op overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn gesloten? Zo neen, moeten overeenkomsten betreffende deeltijds gebruik van onroerend goed in de vorm van een abonnement op clubpunten dan worden geacht binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 3, of artikel 5 van het Verdrag van Rome van 1980 te vallen, ook wanneer het de consument is die het recht van een andere staat dan dat van zijn gewone verblijfplaats aanwijst als het toepasselijke recht? Indien het antwoord luidt dat zij onder beide regelingen kunnen vallen, welke regeling krijgt dan voorrang?

3. Ongeacht de antwoorden op de tweede vraag: moet een overeenkomst betreffende deeltijds gebruik van onroerend goed in de vorm van een abonnement op clubpunten worden beschouwd als een overeenkomst tot verkrijging van zakelijke rechten op onroerend goed of tot verkrijging van persoonlijke rechten die voortvloeien uit het lidmaatschap van een vereniging?

– Indien ervan wordt uitgegaan dat zakelijke rechten worden verkregen, wordt dan bij voorrang artikel 4, lid 1, onder c), of artikel 6, lid 1, van verordening nr. 593/2008 toegepast om het toepasselijke recht vast te stellen, ook wanneer het de consument is die het recht van een andere staat dan dat van zijn gewone verblijfplaats aanwijst als het toepasselijke recht?

– Indien ervan wordt uitgegaan dat persoonlijke rechten worden verkregen, moeten deze dan worden beschouwd als rechten op de huur van onroerend goed in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), of als rechten op dienstverlening in de zin van artikel 4, lid 1, onder b)? En in beide gevallen: dient artikel 6, lid 1, voorrang te krijgen waar het gaat om betrekkingen met consumenten en/of gebruikers, ook  wanneer het de consument is die het recht van een andere staat dan dat van zijn gewone verblijfplaats aanwijst als het toepasselijke recht?

4. Moeten in al deze gevallen de bepalingen inzake het toepasselijke recht in het Verdrag van Rome van 1980 en verordening nr. 593/2008 aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die bepaalt dat „alle overeenkomsten betreffende rechten op het gebruik van een of meer in Spanje gelegen onroerende goederen gedurende een bepaalde of bepaalbare periode van het jaar zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet, ongeacht de plaats en de datum van sluiting ervan”?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK, BZ