C-641/21 Climate Corporation Emissions Trading   

Contentverzamelaar

Terug C-641/21 Climate Corporation Emissions Trading   

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    25 januari 2022

Trefwoorden : btw-fraude, broeikasemissierechten, grensoverschrijdende diensten

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

Feiten:

De zetel van Climate Corporation Emissions Trading GmbH (verzoekster) bevindt zich in Oostenrijk. Verzoekster heeft van 1 tot en met 20 april 2010 broeikasgasemissierechten tegen betaling overgedragen aan de in Duitsland gevestigde Bauduin Handelsgesellschaft mbH (Bauduin GmbH), die een deelnemer was aan btwcarrouselfraude. Het belastingkantoor Baden Mödling heeft bij btw-aanslag 2010 de betaalde overdrachten van broeikasgasemissierechten van verzoekster aan Bauduin GmbH aangemerkt als belastbare goederenleveringen die niet onder de belastingvrijstelling voor intracommunautaire leveringen vielen omdat Bauduin GmbH onderdeel had uitgemaakt van een frauduleuze btw-carrousel en verzoekster wist of had moeten weten dat haar diensten zouden worden gebruikt voor btw-fraude. Verzoekster verzet zich tegen de kwalificatie van de overdrachten van de emissierechten als leveringen en ontkent dat zij of haar bestuurders op de hoogte waren of hadden moeten zijn van de btw-fraude. Volgens het Bundesfinanzgericht is dit niet juist. Verzoekster wist weliswaar niet dat de door haar aan Bauduin GmbH verkochte rechten bij btw-fraude werden gebruikt, maar zij had moeten weten dat dit wel het geval was.

Overweging:

Volgens de rechtspraak van het Hof moeten overdrachten van broeikasgasemissierechten als diensten worden beschouwd. Volgens de bewoordingen van de btw-richtlijn ligt de plaats waar verzoekster de litigieuze diensten heeft verricht, overeenkomstig de algemene regel voor B2B, in Duitsland. Volgens het antwoord op een prejudiciële vraag in het arrest Italmoda, moeten de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties een belastingplichtige in verband met een intracommunautaire levering de toepassing weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw indien aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat die belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betreffende recht wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Een andere prejudiciële vraag is in het arrest Italmoda aldus beantwoord dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd ofschoon de belastingfraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op die rechten wordt gemaakt, en niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige in laatstbedoelde lidstaat heeft voldaan aan de in het nationale recht vastgestelde formele voorwaarden voor de uitoefening van die rechten. De beslissing van het Bundesfinanzgericht hangt af van het antwoord op de vraag of voor de litigieuze grensoverschrijdende diensten een overeenkomstige toepassing van de bovengenoemde antwoorden op prejudiciële vragen in het arrest Italmoda vereist is.

Prejudiciële vragen:

Moet richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008, aldus worden uitgelegd dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties de plaats van een dienst, die volgens het geschreven recht formeel in een andere lidstaat ligt waar de afnemer van de dienst is gevestigd, moeten beschouwen als een plaats die in het binnenland ligt, wanneer de binnenlandse belastingplichtige die deze dienst verricht had moeten weten dat hij met die dienst deelneemt aan ontduiking van belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: A en B (C-453/15), (C-131/13), (C-108/20), Commissie/Frankrijk (C-416/17)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal