C-642/20 Caruter 

Contentverzamelaar

C-642/20 Caruter 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 februari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     18 maart 2021

Trefwoorden : overheidsopdrachten; aanbesteding;

Onderwerp :

Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG;

Feiten:

De vennootschap Messina Provincia heeft een openbare aanbesteding uitgeschreven voor het verrichten van openbare reinigingsdiensten in 33 gemeenten in de provincie Messina. De opdracht, met een looptijd van zeven jaar, was verdeeld over drie percelen. Bij de gunning werd het criterium van de economisch voordeligste inschrijving toegepast (beste prijs-kwaliteitverhouding). Perceel 1 werd gegund aan ATI Caruter. Perceel 2 werd gegund aan ATI Pizzo Pippo, terwijl ATI Caruter als tweede eindigde (ATI staat voor: tijdelijk samenwerkingsverband van ondernemingen). Tegen deze gunningen is principaal en incidenteel beroep ingesteld. Verzoeker ATI Caruter betoogde dat de gunning van perceel 2 aan ATI Pizzo Pippo onrechtmatig was, aangezien ATI Pizzo Pippo uitsluitend d.m.v. beroep op de draagkracht van andere entiteiten zou hebben aangetoond te voldoen aan de eisen van punt 7.3 van het bestek, wat in strijd zou zijn met de geldende regelgeving. ATI Pizzo Pippo kon in casu volgens de bestuursrecher in eerste aanleg geen beroep doen op de andere ondernemingen van het tijdelijke samenwerkingsverband waarvan hij de leider was, om aan te tonen dat hij voldeed aan de eisen van punt 7.3 van de aankondiging van de opdracht. Aangezien Pizzo Pippo dit wel heeft gedaan, heeft deze onderneming inbreuk gemaakt op zowel artikel 83 van d.lgs. nr. 50/2016 als het bestek van de aanbesteding. Tegen de vonnis van de bestuursrecher in eerste aanleg is hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter door ATI Caruter (principaal hoger beroep) en door ATI Pizzo Pippo (incidenteel hoger beroep).

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de rechtsfiguur van beroep op de draagkracht van andere entiteiten van grote waarde is in het Unierecht voor zover ermee wordt beoogd de mededinging te bevorderen. In dit verband is de Italiaanse staat meermaals verweten het potentieel van deze rechtsfiguur niet voldoende te benutten. De regeling hieromtrent heeft aanleiding gegeven tot een in 2019 door de Europese Commissie ingeleide inbreukprocedure, waarvan een paragraaf geheel gewijd is aan het beroep op de draagkracht van andere entiteiten. Deze rechter is van oordeel dat de nationale regeling mogelijk beperkingen oplegt aan het gebruik van een beroep op de draagkracht van andere entiteiten, in tegenstelling tot richtlijn 2014/24/EU, waarvan artikel 63(1) geen beperkingen lijkt te stellen aan de mogelijkheid voor de ondernemer om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten. De prejudiciële verwijzing betreft dus een beslissend punt van het geschil met betrekking tot een in het incidentele hoger beroep aangevoerd middel

Prejudiciële vraag:

Verzet artikel 63 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake de rechtsfiguur van beroep op de draagkracht van andere entiteiten, gelezen in samenhang met de in de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vervatte beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, zich tegen de toepassing van de Italiaanse regeling inzake ,selectiecriteria en mechanisme voor aanvulling of verduidelijking van de stukken’ als bedoeld in de voorlaatste volzin van artikel 83, lid 8, van de codice dei contratti pubblici (wetboek overheidsopdrachten), dat is vervat in wetsbesluit nr. 50 van 18 april 2016, op grond waarvan, ingeval gebruik wordt gemaakt van de rechtsfiguur van beroep op de draagkracht van andere entiteiten (als bedoeld in artikel 89 van het wetboek overheidsopdrachten zoals vervat in wetsbesluit nr. 50 van 18 april 2016), de leider van een tijdelijk samenwerkingsverband van ondernemingen in ieder geval aan de meeste eisen moet voldoen en de meeste diensten moet verrichten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; BZK