C-645/20 V A et Z A 

Contentverzamelaar

C-645/20 V A et Z A 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     14 maart 2021

Trefwoorden : erfrecht; bevoegdheid; brexit

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: de verordening);

Feiten:

XA (met de Franse nationaliteit) is overleden in Frankrijk, waarbij hij zijn echtgenote, TP, en zijn drie uit een eerste huwelijk geboren kinderen, YA, ZA en VA (hierna: erfgenamen), als erfgenamen bij versterf heeft achtergelaten. Met het oog op de aanstelling van een gevolmachtigde voor de nalatenschap is TP door de erfgenamen voor de president van een rechter in eerste aanleg gebracht. Zij voerden daarbij aan dat de Franse gerechten op grond van artikel 4 van de verordening bevoegd zijn gelet op het feit dat XA op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk had. De cour d’appel heeft geoordeeld dat de erflater zijn gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had, en verklaarde dat de Franse gerechten op grond van artikel 4 van de verordening onbevoegd waren om over diens erfopvolging uitspraak te doen of om een gevolmachtigde voor de nalatenschap aan te stellen. De erfgenamen betwisten dit. Volgens de erfgenamen staat het vast dat XA de Franse nationaliteit had en in Frankrijk gelegen goederen bezat zodat de cour d’appel zijn subsidiaire bevoegdheid had dienen op te werpen.

Overweging:

Aan de orde is de vraag of de cour d’appel, die heeft vastgesteld dat XA de Franse nationaliteit en in Frankrijk gelegen goederen bezat, zijn in artikel 10 van de verordening opgenomen subsidiaire bevoegdheid ambtshalve had moeten opwerpen. Artikel 15 van de verordening bepaalt dat een gerecht van een lidstaat, indien daarbij een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt waarvoor het volgens de verordening niet bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd dient te verklaren. Deze bepaling bevat echter geen precisering met betrekking tot de vraag of dat gerecht voorafgaandelijk dient na te gaan of niet alleen niet is voldaan aan de voorwaarden voor zijn primaire bevoegdheid (artikel 4) maar evenmin aan die voor zijn subsidiaire bevoegdheid (artikelen 10 en 11). In de verordening wordt niet verduidelijkt of de subsidiaire bevoegdheid facultatief van aard is.

Prejudiciële vraag:

Dienen de bepalingen van artikel 10, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, aldus te worden uitgelegd dat, indien de erflater zijn gewone verblijfplaats op het tijdstip van overlijden niet in een lidstaat had, het gerecht van een lidstaat waar de gewone verblijfplaats van de erflater niet was gevestigd maar dat vaststelt dat deze erflater de nationaliteit van die lidstaat had en aldaar gelegen goederen bezat, de in die verordening opgenomen subsidiaire bevoegdheid ambtshalve moet opwerpen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV;