C-647/21 en C-648/21 D. K. e.a. 

Contentverzamelaar

Terug C-647/21 en C-648/21 D. K. e.a. 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    3 februari 2022

Trefwoorden: rechterlijke bevoegdheid, strafprocedure, onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Onderwerp:

Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn

Feiten:

De verwijzende rechter onderzoekt het hoofdgeding in een formatie van één rechter, aangezien het vooronderzoek is gevoerd in de vorm van een opsporingsonderzoek. Begin september 2021 heeft de voorzitter van de formatie in een andere zaak een beschikking gegeven waarbij zij de voorzitter van de afdeling heeft verzocht om opnieuw een lid van de formatie te benoemen in de plaats van de president van de rechterlijke instantie. Begin oktober 2021 heeft de voorzitter van de rechtsprekende formatie, in een samenstelling van één rechter, een vonnis vernietigd van een lagere rechterlijke instantie dat was gewezen door een persoon die tot rechter is benoemd op voordracht van de KRS (nationale raad voor de rechtspraak) in zijn huidige samenstelling. De president van de rechterlijke instantie heeft vervolgens een beschikking gegeven tot herverdeling van taken, bestaande in de overplaatsing van de voorzitter van een afdeling van de rechterlijke instantie die zaken in tweede aanleg behandelt naar een afdeling die zaken in eerste aanleg behandelt. Aan de beslissing van de president van de rechterlijke instantie ging vooraf dat het college van presidenten van deze rechterlijke instantie de voorzitter van de rechtsprekende formatie heeft ontheven van haar taak om kennis te nemen van zaken die haar waren toegewezen binnen de afdeling die zaken in tweede aanleg behandelt, daaronder begrepen het hoofdgeding. De voorzitter van de formatie is niet op de hoogte van de motivering en de rechtsgrondslag van dat besluit. Tot tweemaal toe heeft de president van de rechterlijke instantie een verzoek van de voorzitter van de formatie om de inhoud van het besluit ter beschikking te stellen afgewezen.

Overweging:

Volgens de rechtspraak van het Hof moet elke rechterlijke instantie nagaan of zij, gelet op haar samenstelling, een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld, indien daarover ernstige twijfel rijst. Wat de eerste vraag betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat de overplaatsing van de voorzitter van de formatie naar een andere afdeling en haar ontheffing van de taak om de haar toegewezen zaken te behandelen, daaronder begrepen het hoofdgeding, een schending uitmaakt van de vereisten van onafhankelijkheid en onafzetbaarheid. Volgens de verwijzende rechter doet ook de status van het orgaan dat het besluit tot overplaatsing heeft gegeven twijfels rijzen. De president van de rechterlijke instantie was tot dan toe vanuit een lagere rechterlijke instantie gedetacheerd bij de verwijzende rechterlijke instantie, en is vervolgens op voordracht van de KRS in zijn huidige samenstelling benoemd tot rechter bij de verwijzende rechterlijke instantie. Voor het geval dat het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt, vraagt de verwijzende rechter zich af of hij in een dergelijk geval de bevoegdheid heeft om het besluit van het college van presidenten buiten beschouwing te laten. Aan de derde vraag ligt het streven ten gronde om de procesdeelnemer een doeltreffend rechtsmiddel te waarborgen indien de rechtsprekende formatie in zijn zaak wordt gewijzigd, hetgeen noodzakelijkerwijs van invloed is op het recht op een eerlijk proces en met name in rechtstreeks verband staat met het vermoeden van onschuld.

Prejudiciële vragen C-647/21 en C-648/21 zijn identiek

1) Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 47b, leden 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 30, lid 1, en artikel 24, lid 1, van de Ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001, op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van presidenten van de rechterlijke instanties uit het rechtsgebied van een Sąd Okręgowy, de bevoegdheid heeft een rechter van die rechterlijke instantie geheel of gedeeltelijk te ontheffen van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, waarbij:

a) dat college van rechtswege bestaat uit presidenten van rechterlijke instanties, die in die functies zijn benoemd door een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, die tegelijkertijd de functie van Prokurator Generalny (procureur-generaal) uitoefent;

b) de ontheffing van de taak om de hem toegewezen zaken te behandelen geschiedt zonder zijn instemming;

c) het nationale recht niet voorziet in criteria die dat college van presidenten moet aanleggen bij het ontheffen van een rechter van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen noch in de verplichting tot motivering en rechterlijke toetsing;

d) sommige leden van dat college zijn benoemd tot rechter in omstandigheden die analoog zijn aan de omstandigheden genoemd in het arrest van het Hof van Justitie van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596?

2) Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het voorrangsbeginsel aldus worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie die een zaak behandelt in het kader van een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 vallende strafprocedure, waarvan een rechter op de in de eerste vraag omschreven wijze is ontheven van zijn taak om de zaak te behandelen, op grond daarvan de akten van het college van presidenten van de rechterlijke instanties uit het rechtsgebied van een Sąd Okręgowy en alle akten die in navolging ervan zijn uitgevaardigd, buiten beschouwing kan of moet laten, met name beschikkingen houdende een hernieuwde toewijzing van zaken (daaronder begrepen het hoofdgeding) waarbij de rechter die van zijn taak is ontheven niet in aanmerking is genomen, zodat deze wel kan blijven deelnemen in de rechtsprekende formatie die de zaak behandelt?

3) Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het voorrangsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat er in de nationale rechtsorde, in het kader van een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/34 vallende strafprocedure, middelen bestaan die de procesdeelnemers, zoals de beklaagden in het hoofdgeding, de mogelijkheid bieden van toetsing van en beroep tegen een beslissing als bedoeld in de [eerste vraag] die ertoe strekt de samenstelling van de in het hoofdgeding rechtsprekende formatie te wijzigen, met als gevolg dat de rechter aan wie de zaak tot dusver was toegewezen op de in vraag 1 omschreven wijze wordt ontheven van zijn taak om er kennis van te nemen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II), Commissie/Polen (C-204/21 R),

Specifiek beleidsterrein: JenV