C-652/20 Allianz Elementar Versicherung 

Contentverzamelaar

C-652/20 Allianz Elementar Versicherung 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     26 april 2021

Trefwoorden : rechterlijke bevoegdheid; verzekeringen

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

Feiten:

In 2017 bestuurde wijlen SZ een auto met een Oostenrijks kenteken. Door te hoge snelheid en onder invloed van alcohol raakte hij de macht over het stuur kwijt en reed tegen een elektriciteitspaal. Behalve hijzelf overleed ten gevolge van het ongeluk ook EY, die naast hem zat. De auto was in Oostenrijk verzekerd door verweerster Allianz Elementar Versicherungs-AG. Eisers (de moeder van EY en haar grootouders langs moederszijde) hebben een rechtsvordering ingesteld tegen Allianz Elementar Versicherungs-AG, in de persoon van haar Roemeense vertegenwoordiger, S.C. Allianz-Țiriac Asigurări SA, statutair gevestigd te Boekarest. Daarbij verzochten zij om toekenning van een morele schadevergoeding van iets meer dan 250 000 EUR aan ieder van hen. Eisers hebben ervoor gekozen de zaak aanhangig te maken bij de verwijzende rechter, met zittingsplaats in de plaats waar de zetel van de Roemeense vertegenwoordiger van verweerster is gelegen, en niet bij het gerecht van hun woonplaats. Artikel 131(11) en artikel 1071(12) van het Roemeense wetboek van burgerlijke rechtsvordering verplichten de rechter om ambtshalve zijn bevoegdheid te toetsen bij de eerste zitting waar zij in staat zijn conclusies te nemen. In de onderhavige zaak is artikel 11(1)b) van de verordening van toepassing omdat de verzekeraar is gevestigd op het grondgebied Oostenrijk en is gedagvaard door de begunstigden van de verzekeringspolis in Roemenië.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de regels tot vaststelling van de internationale bevoegdheid gewoonlijk niet tot doel hebben om ook de interne (territoriale) bevoegdheid vaststellen. De rechter merkt evenwel op dat er uitzonderingen op deze regel bestaan. Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt bijvoorbeeld de territoriale bevoegdheid door middel van een regel van internationaal privaatrecht in het geval van het ‘forum necessitatis’. Een formele uitlegging is nodig omdat de verwijzende rechter twijfelt over de inhoud van de bevoegdheidsregel in artikel 11(1)b) van de verordening. Opheldering van de uitleggingskwestie is noodzakelijk zodat de verwijzende rechter zijn bevoegdheid kan onderzoeken. Bovendien zou een uitspraak van het Hof ook een breder, maar net zo praktisch doel dienen, namelijk bekendmaking van het feit dat met de onderzochte verordening ook de interne (territoriale) bevoegdheid kan worden bepaald, en niet slechts de internationale bevoegdheid (aangezien het Hof nog geen arrest heeft gewezen in die zin, is zijn standpunt dienaangaande niet erg bekend). Dit zou tegenstrijdige rechtspraak op dit gebied kunnen voorkomen.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 11, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op de internationale bevoegdheid van de lidstaten [van de Europese Unie], dan wel dat het ook de interne (territoriale) bevoegdheid vaststelt van de gerechten van de plaats waar de begunstigde van de verzekering woont?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-463/06; C-386/05; C-420/07;

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN