C-654/21 LM

Contentverzamelaar

C-654/21 LM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    9 februari 2022

Trefwoorden : Uniemerk, reconventionele vordering, nationale merken

Onderwerp :

Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk

Feiten:

Verzoeker is een natuurlijke persoon en is houder van het exclusieve recht op het Uniewoordmerk „Multiselect”. Het merk is op 05-06-2018 ten gunste van verzoeker ingeschreven bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie. Verweerder is eveneens een natuurlijke persoon en oefent een economische activiteit uit. In het kader van deze activiteit biedt verweerder onder andere een gids voor kandidaat-politieagenten aan. Het hoofdgeding is ingeleid op 26-02-2020. In het ingediende verzoekschrift wordt onder meer verzocht: verweerder te gelasten de inbreuk op het Uniemerk „Multiselect” te staken, door de door hem in de handel gebrachte waren en diensten niet langer met dit merk aan te duiden;  dat het merk „Multiselect” niet langer wordt aangebracht op diverse soorten marketingmateriaal of vermeld op de door verweerder geëxploiteerde websites voor de verkoop van waren en diensten. In de loop van de procedure heeft verweerder een reconventionele vordering ingesteld en daarbij verzocht om nietigverklaring van het ten gunste van verzoeker ingeschreven Uniewoordmerk „Multiselect”.

Overweging:

In het stadium van de beraadslaging over de reconventionele vordering is bij de rechter twijfel gerezen over de vraag in hoeverre hij kennis moet nemen van een reconventionele vordering die verder reikt dan het door verweerder aangevoerde verweer met betrekking tot de vordering wegens inbreuk. De reconventionele vordering omvat een vordering tot nietigverklaring van het Uniemerk waarvan de reikwijdte aanzienlijk ruimer is dan die van de hoofdvordering. In deze context is bij de verwijzende rechter twijfel gerezen over de vraag hoe het begrip „reconventionele vordering tot nietigverklaring” als bedoeld in artikel 124, onder d), en artikel 128, lid 1, van verordening 2017/1001 moet worden uitgelegd. Indien de procedure voor de verwijzende rechter geen betrekking had op de bescherming van een Uniemerk maar op de bescherming van een nationaal merk, zou verweerder niet de mogelijkheid hebben gehad om in deze procedure een reconventionele vordering tot nietigverklaring van dat nationale merk in te stellen. Derhalve vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 479 en artikel 204 kpc (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) in het kader van de onderhavige procedure deel uitmaken van het „procesrecht dat geldt voor soortgelijke rechtsvorderingen betreffende een nationaal merk” in de zin van artikel 129, lid 3, van verordening 2017/1001.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 124, onder d), gelezen in samenhang met artikel 128, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk aldus worden uitgelegd dat het daarin opgenomen begrip „reconventionele vordering tot nietigverklaring” slechts betrekking kan hebben op een vordering tot nietigverklaring die verband houdt met de door de verzoeker ingestelde vordering wegens inbreuk op het Uniemerk, zodat aan de nationale rechter de mogelijkheid wordt geboden om een reconventionele vordering tot nietigverklaring slechts te behandelen voor zover deze verband houdt met de door de verzoeker ingestelde vordering wegens inbreuk?

2. Moet artikel 129, lid 3, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, waarin wordt verwezen naar „het procesrecht dat geldt voor soortgelijke rechtsvorderingen betreffende een nationaal merk”, betrekking heeft op de nationale procedureregels die van toepassing zouden zijn op een specifieke procedure wegens inbreuk op een Uniemerk (en op de procedure inzake de reconventionele vordering tot nietigverklaring), of heeft deze bepaling in het algemeen betrekking op de nationale procedureregels die gelden in de rechtsorde van de betrokken lidstaat, hetgeen van belang is wanneer, gelet op de datum waarop de specifieke procedure wegens inbreuk op het Uniemerk is ingeleid, in de rechtsorde van deze lidstaat geen procedureregels inzake reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van nationale merken bestonden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK