C-656/21 IM GESTAO DE ATIVOS e.a.

Contentverzamelaar

C-656/21 IM GESTAO DE ATIVOS e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    8 februari 2022

Trefwoorden : indirecte belastingen, zegelrecht, beleggingsfondsen

Onderwerp :

Richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal

Feiten:

IMGA is een beheermaatschappij en wettelijk vertegenwoordiger van open-end beleggingsfondsen in effecten. Als entiteit die zich louter bezighoudt met het beheer van fondsen, oefent zij zelf slechts op bescheiden schaal verkoopactiviteiten uit. IMGA laat zich bijstaan door financiële instellingen die over een nationaal netwerk van kantoren beschikken en solide ervaring hebben op het gebied van financiële bemiddeling en de plaatsing van effecten bij het publiek. In de periode januari-december 2019 hebben verschillende financiële instellingen participaties van meerdere door IMGA beheerde fondsen verkocht. Deze financiële instellingen factureerden de verkoop van participaties in de fondsen aan IMGA, de beheermaatschappij van de fondsen in kwestie, en niet rechtstreeks aan de fondsen. In 2019 heeft IMGA de fondsen bepaalde beheervergoedingen in rekening gebracht over welk bedrag IMGA ook het zegelrecht van 4 % heeft geheven en aan de Staat heeft afgedragen. In de eerste plaats achten verzoeksters het onrechtmatig dat zegelrecht wordt geheven over „het deel van de beheervergoeding dat IMGA aan de fondsen in rekening brengt en dat overeenkomt met de verkoopprovisies die de banken reeds hebben gefactureerd en waarop zij reeds zegelrecht hebben toegepast”, aangezien dit neerkomt op dubbele belasting van één enkele dienstverrichting. In de tweede plaats verdedigen verzoeksters dat „dit deel van het zegelrecht bovendien onrechtmatig en nietig moet worden verklaard omdat het tevens in strijd is met het Unierecht. Net als in het besluit op het bezwaar, stelt de belastingdienst dat er geen sprake is van dubbele belasting, aangezien de door de banken gefactureerde verkoopprovisie en de door IMGA aan de fondsen in rekening gebrachte beheervergoeding afzonderlijke activiteiten vormen.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat de prejudiciële vragen moeten worden voorgelegd aan het Hof, aangezien verzoeksters kort gezegd stellen dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7 een bepaling is die voorziet in een zeer ruim verbod (van belastingheffing), waaruit volgt dat het opmaken, de uitgifte, het in omloop brengen, het verhandelen en alle daarmee verband houdend formaliteiten met betrekking tot participaties, andere soortgelijke effecten, obligaties en verhandelbare effecten in het algemeen aan geen enkele vorm van indirecte belasting kunnen worden onderworpen.

Prejudiciële vragen:

1) Verzet artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7/EG zich tegen een nationale regeling zoals rubriek 17.3.4 van de Código do Imposto do Selo (wetboek zegelrecht), die voorziet in de heffing van zegelrecht op de provisies die banken in rekening brengen aan entiteiten die open-end beleggingsfondsen in effecten beheren voor het aantrekken van nieuwe inschrijvingen op participaties, dus voor het aandragen van nieuw kapitaal voor die beleggingsfondsen door middel van inschrijvingen op nieuwe door de fondsen uitgegeven participaties?

2) Verzet artikel 5, lid 2, van richtlijn 2008/7/EG zich tegen een nationale regeling die voorziet in de heffing van zegelrecht op de beheervergoedingen die beheerentiteiten in rekening brengen aan open-end beleggingsfondsen in effecten, voor zover die beheervergoedingen de provisies omvatten die banken aan de beheerentiteiten factureren voor voornoemde activiteit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN, FIN-fiscaal