C-657/20 Caixabank  

Contentverzamelaar

C-657/20 Caixabank  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     9 februari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     26 maart 2021

Trefwoorden : consumentenbescherming; kredietovereenkomsten; banken; oneerlijke bedingen

Onderwerp :

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

-           Richtlijn 2014/17/ Е U van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010;

Feiten:

Op 19-09-2008 hebben verweerders ZN, SD en AH (hierna: kredietnemers) een hypothecaire leningsovereenkomst  gesloten voor een bedrag van €46.000,-. Kredietgever was CaixaBank die de algemene rechtsopvolger van Cajasol is. ZN was kredietnemer en hypotheekgever in deze overeenkomst, terwijl SD en AH uitsluitend kredietnemers waren. De overeenkomst had een beding inzake vervroegde opeisbaarheid waarvan de nietigheid – en de gevolgen ervan – ter discussie staan en waarop de vragen betrekking hebben. Nadat in totaal zes afbetalingstermijnen niet waren betaald – besloot de kredietgever de rekening af te sluiten en de overeenkomst te ontbinden. Hierop heeft CaixaBank bij de verwijzende rechter een vordering tot hypothecaire executie ingesteld tegen ZN, SD en AH. Op grond van de op dat moment geldende nationale regelgeving en rechtspraak heeft de verwijzende rechter een de opdracht tot executie gegeven. Bij besluit van 15-10-2018 werd de openbare verkoop afgekondigd. Op 26-03-2019 heeft het Hof zich in de gevoegde zaken C-70/17 en C-179/17 uitgesproken over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en bedingen inzake vervroegde opeisbaarheid van hypothecaire leningen.

Wet 5/19 van 15 maart tot regeling van kredietovereenkomsten inzake onroerende zaken is vastgesteld in antwoord op het arrest van het Hof van 14-03-2013 (maar uitgevaardigd vóór de publicatie van het arrest van het Hof van 26-03-2019). Bij maatregel tot organisatie van de procesgang en op grond van de overgangsbepalingen van wet 5/19 heeft de verwijzende rechter verweerders een termijn toegekend om een bijzondere incidentele verzetsprocedure te starten omdat de executie gebaseerd was op een mogelijk oneerlijk beding inzake vervroegde opeisbaarheid.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is het uitgangspunt dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid op grond waarvan een overeenkomst kan worden ontbonden wanneer ongeacht welke afbetalingstermijn niet is betaald, oneerlijk en dus nietig is, tenzij wordt aangetoond dat de niet-nakoming van de betalingsverplichting voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening. De formulering van artikel 24 van wet 5/19 is niet duidelijk en onbetwistbaar, aangezien hieruit lijkt te volgen dat slechts één criterium in aanmerking wordt genomen, namelijk de voldoende ernstige niet-nakoming gelet op het bedrag van de lening, waarbij niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden voldaan aan het tweede criterium van een voldoende ernstige niet-nakoming gelet op de looptijd van de lening. Bijgevolg is het niet duidelijk of de nationale rechter moet nagaan of aan beide voorwaarden is voldaan. Evenmin is duidelijk hoe de nationale rechter moet handelen in gevallen waarin minder dan twaalf afbetalingstermijnen niet zijn voldaan maar wel meer dan 3 % van het geleende kapitaal niet is betaald.

Prejudiciële vragen:

Gelet op de rechten die zijn neergelegd in richtlijn 93/13/EEG en op de criteria die zijn vastgesteld in de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 maart 2013 en 26 maart 2019, waarin is geoordeeld dat de niet-nakoming van de betalingsverplichting voldoende ernstig moet zijn gelet op de looptijd en het bedrag van de lening om het beding inzake vervroegde opeisbaarheid te kunnen toepassen, rijst de volgende twijfel:

1. Moet het betalingsverzuim zowel gelet op het bedrag van de lening als gelet op de looptijd van de lening ernstig zijn, of is het voldoende dat het slechts in het licht van een van deze criteria ernstig is?

2. Indien beide criteria (looptijd en bedrag van de lening) in aanmerking moeten worden genomen en ervan wordt uitgegaan dat beide criteria moeten worden vervuld en beoordeeld, rijst de vraag of de nationale wetgeving [artikel 24 van Ley (wet) 5/19] en de nationale rechtspraak [arrest van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) nr. 463/19] vereisen dat beide criteria worden gewogen.

3. Indien beide criteria (looptijd en bedrag van de lening) moeten worden vervuld en beoordeeld, rijzen er twijfels over de wijze waarop gevallen moeten worden opgelost waarin er weliswaar sprake is van ernstige niet-nakoming gelet op het bedrag van de lening overeenkomstig artikel 24 van wet 5/19 omdat 3 % van het geleende kapitaal niet is betaald, maar waarin er geen sprake is van ernstige nietnakoming gelet op de looptijd van de lening overeenkomstig de enige temporele verwijzing in artikel 24 van wet 5/19 omdat het betalingsverzuim betrekking heeft op minder dan twaalf  afbetalingstermijnen.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-40/08; C-377/14; C-154/15; C-421/14; C-602/13; C-613/15; C-92/16 en C-167/16;

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK