C-660/21 K.B. et F.S.

Contentverzamelaar

Terug C-660/21 K.B. et F.S.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    10 februari 2022

Trefwoorden : voorrangsbeginsel; ambtshalve toetsing; rechten van verdediging

Onderwerp :

•          Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures;

•          Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn

Feiten:

F.S. en K.B. zijn in maart 2021 aangehouden door opsporingsambtenaren omdat zij zich bij nacht op verdachte wijze ophielden op de parking van een bedrijf en ervan werden verdacht op frauduleuze wijze brandstof te hebben onttrokken van dat bedrijf. De opsporingsambtenaren en de hulpofficier van justitie hebben onderzoekshandelingen verricht (o.a. doorzoeking van het voertuig van F.S. en K.B.) en belastende verklaringen opgenomen van F.S. en K.B voordat zij F.S. en K.B hadden geïnformeerd over hun rechten van verdediging op grond van het Franse en het Europese recht (o.a. zwijgrecht). De rechten van verdediging van F.S. en K.B. zijn daardoor geschonden. De Cour de Cassation (hoogste Franse rechter in burgerlijke en strafrechtelijke zaken) verbiedt rechters echter om de nietigheid van een (strafrechtelijke) procedure ambtshalve vast te stellen, ook in het geval de rechten van verdediging zijn geschonden.

Overweging:

Een Franse rechter kan dus niet ambtshalve de nietigheid van een (strafrechtelijke) procedure vaststellen. Hij kan niet ambtshalve verzekeren dat de rechten van verdediging - die op grond van het EU-recht worden verleend – worden gewaarborgd. De Franse rechter kan daarmee niet de voorrang van het EU-recht verzekeren. De nietigheid van een procedure kan alleen worden aangevoerd door de advocaat van de beklaagde of door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak. De rechter in deze zaak wil van het EU-Hof weten of het EU-recht zich verzet tegen een nationaal verbod voor een rechter om ambtshalve de nietigheid van een procedure vast te stellen en door dat verbod belemmert wordt bij de vervulling van zijn taak om de doeltreffendheid en de voorrang van het EU-recht te verzekeren.

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 3 (Recht op informatie over rechten) en 4 (Verklaring van rechten bij aanhouding) van de richtlijn van het Europees Parlement van 22 mei 2012, artikel 7 (recht om te zwijgen) van de richtlijn van het Europees Parlement van 9 maart 2016 en artikel 48 (Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een verbod voor de nationale rechter om schending van de rechten van de verdediging zoals gewaarborgd door de genoemde richtlijnen ambtshalve vast te stellen, en meer in het bijzonder in de weg staan aan het feit dat hem wordt verboden om, met het oog op nietigverklaring van de procedure, ambtshalve vast te stellen dat bij de aanhouding geen of te laat mededeling is gedaan van het recht om te zwijgen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-312/93; C-430/93; C-240/98 – 244/98;

Specifiek beleidsterrein: JenV