C-677/20 IG Metal

Contentverzamelaar

C-677/20 IG Metal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    19 februari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    5 april 2021

Trefwoorden : werknemers; medezeggenschap

Onderwerp :

-           Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers;

Feiten:

In C-677/20 draait het om de geldigheid van bepaalde regelingen in een medezeggenschapsovereenkomst tussen de werkgever en de bijzondere onderhandelingsgroep over de rol van werknemers in een Europese vennootschap. De werkgever, SAP, is een Europese vennootschap en heeft een dualistisch systeem waarbij er een concernondernemingsraad is en een Europese vennootschap-ondernemingsraad is. Oorspronkelijk had de werkgever de Duitse rechtsvorm van een NV, waarbij er een raad van toezicht bestond met acht aandeelhouder-vertegenwoordigers en acht werknemer-vertegenwoordigers. De werknemer-vertegenwoordigers bestonden uit zes werknemers van de onderneming en twee vertegenwoordigers van vakorganisaties, die waren voorgedragen door de vakorganisaties die in het concern van de werkgever waren vertegenwoordigd, na een exclusieve verkiezing voor hen twee specifiek. In 2014 werd de werkgever echter omgezet naar een Europees vennootschap, met een raad van toezicht die achttien leden telt, met negen werknemersvertegenwoordigers. In de nieuwe medezeggenschapsovereenkomst is bepaald dat alleen werknemers van SAP of vertegenwoordigers van de in het SAP-concern vertegenwoordigde vakorganisaties werknemersvertegenwoordigers in de raad zijn. Deze vakorganisaties beschikken over een exclusief voordrachtsrecht ten aanzien van een bepaald aantal aan Duitsland toegewezen werknemersvertegenwoordigers, die worden verkozen door de werknemers. Het is echter ook mogelijk dat er een raad van toezicht van maar twaalf mensen wordt aangesteld, in welk geval de raad zes werknemersvertegenwoordigers moet tellen. Vakorganisaties kunnen in dit geval wel leden voordragen, maar er is geen aparte verkiezing voor die voorgedragen leden.  Derhalve hebben de verzoekers gesteld dat de regelingen met betrekking tot de aanwijzing van werknemersvertegenwoordigers in een dergelijke twaalfpersonenraad nietig zijn vanwege strijd met Duits recht, op grond van het feit dat er geen exclusief voordrachtsrecht voor vakorganisaties is.

 

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of dit in strijd is met artikel 4(4) van richtlijn 2001/86/EG, omdat in deze richtlijn wordt bepaald dat een Europese vennootschap die is opgericht door omzetting, in dezelfde mate moet voorzien in elk aspect van de werknemers als bij een vennootschap die nog moet worden omgezet naar een Europees vennootschap. De verwijzende rechter weet namelijk niet of deze regel op een lager beschermingsniveau berust dat in de gehele Unie geldt, vergeleken met wat in Duitse wet wordt gehandhaafd. Welke vereisten uit artikel 4(4) voortvloeien voor het niveau van bescherming dat in de medezeggenschapovereenkomst moet worden gewaarborgd is namelijk nog niet duidelijk voor de verwijzende rechter.

Prejudiciële vraag:

Is § 21, lid 6, van het Gesetz über die Beteiligung der Arbeitnehmer in einer Europäischen Gesellschaft (Duitse wet inzake de rol van de werknemers in een Europese vennootschap) – waaruit blijkt dat bij de oprichting van een in Duitsland gevestigde SE door omzetting, moet worden gewaarborgd dat voor een bepaald aantal werknemersvertegenwoordigers in de raad van toezicht een afzonderlijke verkiezingsprocedure wordt georganiseerd voor de door vakorganisaties voorgedragen kandidaten – verenigbaar met artikel 4, lid 4, van richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers?

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV