C-688/21 Confederation paysanne e.a.

Contentverzamelaar

C-688/21 Confederation paysanne e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    15 februari 2022

Trefwoorden : genetische modificatie, milieu, volksgezondheid

Onderwerp :

Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad.

Feiten:

Het geding betreft de regeling van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) en in het bijzonder de regeling van ggo’s die zijn verkregen door mutagenese. In de regelgeving en met name richtlijn 2001/18/EG worden deze door mutagenese verkregen ggo’s van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten. Bij verzoekschrift van 12-03-2015 hebben verzoeksters in het hoofdgeding, een Franse landbouworganisatie en acht verenigingen die zich inzetten voor de bescherming van het milieu, de verwijzende rechter (Conseil d’État) verzocht over te gaan tot nietigverklaring van het impliciete besluit van de Premier ministre tot afwijzing van hun verzoek dat met name strekt tot intrekking van artikel D. 531 2 van de code de l’environnement (milieuwetboek) – waarbij mutagenese wordt uitgesloten van de definitie van technieken die leiden tot genetische modificatie– en tot uitvaardiging van een verbod op de teelt en het in de handel brengen van herbicideresistente koolzaadrassen, alsmede de Premier ministre op verbeurte van een dwangsom te gelasten alle nodige maatregelen te nemen om een moratorium in te stellen op de herbicideresistente plantenrassen die zijn verkregen door mutagenese. Verzoeksters in het hoofdgeding hebben voor de verwijzende rechter onder meer aangevoerd dat de mutagenesetechnieken geëvolueerd zijn en het thans, net zoals transgenesetechnieken, mogelijk maken om herbicideresistente rassen te verkrijgen. De verplichtingen van richtlijn 2001/18 zijn niet van toepassing op deze rassen, die nochtans risico’s voor het milieu of de gezondheid opleveren die met name voortvloeien uit de verspreiding van hun genetische materiaal waardoor onkruid met het herbicideresistente gen ontstaat, uit de daarmee samenhangende noodzaak meer herbicide te gebruiken en de gebruikte soorten herbicide te diversifiëren, uit de daaruit resulterende milieuvervuiling, uit onbedoelde effecten zoals ongewenste mutaties of mutaties die hun doel missen en andere delen van het genoom betreffen, en uit de accumulatie van kankerverwekkende moleculen of hormoon verstorende stoffen in de voor levensmiddelen of diervoeders geteelde gewassen.

Overweging:

Het Hof heeft in haar rechtspraak duidelijkheid verschaft over de omvang van de vrijstelling voor mutagenese door te preciseren dat tegen de achtergrond van overweging 17 van richtlijn 2001/18, „enkel organismen die zijn verkregen door middel van mutagenesetechnieken of methoden die traditioneel in een aantal toepassingsgevallen zijn gebruikt en die hun veiligheid reeds hebben bewezen” van de werkingssfeer van deze richtlijn worden uitgesloten. Om te kunnen vaststellen welke mutagenesetechnieken traditioneel in een aantal toepassingsgevallen zijn gebruikt en hun veiligheid reeds hebben bewezen, staan er twee mogelijke benaderingen recht tegenover elkaar. Volgens de eerste, die wordt voorgestaan door de Europese Commissie en de EFSA, dient daarvoor alleen rekening te worden gehouden met de methode die bij de modificatie van het genmateriaal is gebruikt, terwijl volgens de tweede die door de Conseil d’État in zijn beslissing van 07-02-2020 is gevolgd, rekening moet worden gehouden met elk effect van de gebruikte methode op het organisme, aangezien deze effecten de volksgezondheid en het milieu kunnen schaden, ongeacht of zij het gevolg zijn van mutagenese dan wel van de eventueel gebruikte teeltwijze van de plant. Op dit punt stelt de Conseil d’État de eerste vraag. Indien het Hof op deze vraag antwoordt dat, om binnen de mutagenesetechnieken of methoden de technieken te kunnen onderscheiden die traditioneel in een aantal toepassingsgevallen zijn gebruikt en die hun veiligheid reeds hebben bewezen, rekening moet worden gehouden met alle door de gebruikte methode verkregen varianten, waaronder ook somaclonale varianten, die de volksgezondheid en het milieu kunnen schaden, dient te worden bepaald aan de hand van welke elementen moet worden vastgesteld of de veiligheid van een mutagenesetechniek of methode reeds is bewezen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad, gelezen in samenhang met bijlage I B, punt 1, bij deze richtlijn en in het licht van overweging 17 ervan, aldus worden uitgelegd dat, om binnen de mutagenesetechnieken of methoden, de technieken of methoden te kunnen onderscheiden die traditioneel in een aantal toepassingsgevallen zijn gebruikt en die hun veiligheid reeds hebben bewezen, in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, alleen de methode waarmee mutagenese het genmateriaal van het organisme wijzigt in aanmerking moet worden genomen, of dient daarvoor rekening te worden gehouden met alle door het gebruikte procedé verkregen varianten van het organisme, waaronder ook somaclonale varianten, die de volksgezondheid en het milieu kunnen schaden?

2. Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/18/EG van 12 maart 2001, gelezen in samenhang met bijlage I B, punt 1, bij deze richtlijn en in het licht van overweging 17 ervan, aldus worden uitgelegd dat, om te kunnen bepalen of een mutagenesetechniek of methode traditioneel in een aantal toepassingsgevallen is gebruikt en zijn veiligheid reeds heeft bewezen, in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, alleen rekening moet worden gehouden met de teelt in volle grond van organismen die met deze mutagenesemethode/-techniek zijn verkregen, of kan daarvoor ook rekening worden gehouden met onderzoekswerkzaamheden en publicaties die geen verband houden met die teelt, waarbij alleen die onderzoekswerkzaamheden en publicaties in aanmerking moeten worden genomen die over de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu gaan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Confédération paysanne e.a. (C-528/16)

Specifiek beleidsterrein: LNV, VWS, IenW