C-694/18 – C-697/18 Ente Público Radio Televisión Madrid e.a.

Contentverzamelaar

C-694/18 – C-697/18 Ente Público Radio Televisión Madrid e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 21 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 07 maart 2019

Trefwoorden: btw; fiscale zaken

Onderwerp:

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);


Feiten:

De feiten en rechtsoverwegingen en de prejudiciële vragen van C-695/18, C-696/18 en C-697/18 komen in wezen overeen met C-694/18. Verzoeker (ENTE PÚBLICO RADIO TELEVISIÓN MADRID, de publieke radio- en televisieomroep van Madrid) is opgericht door de Comunidad de Madrid. Deze omroep is de enige aandeelhouder van de handelsvennootschappen die de openbare radio- en televisiediensten in de autonome gemeenschap beheren. Het gaat hier in wezen om overheidsbedrijven die belast zijn met de verrichting van een openbare dienst. Het door de handelsvennootschappen uitgevoerde beheer wordt voornamelijk bekostigd met overheidsmiddelen, aangevuld met de middelen die zij verkrijgen uit de verkoop van hun producten en reclamediensten. In de besluiten van de regionale inspectiedienst van de Spaanse nationale belastingdienst (AEAT) wordt verklaard dat het maatschappelijk doel van de handelsvennootschappen niet alleen bestaat uit het aanbieden van openbare radio- en televisiediensten, maar ook uit andere activiteiten, zoals het maken van reclame voor en het verkopen van hun eigen producten, zodat zij een duaal karakter hebben. Deze typering als “duale belastingplichtige” impliceert dat a) de verrichting van openbare radio- en televisiediensten voor de Ente Público niet is onderworpen aan btw; en b) de overige activiteiten als economische activiteiten worden aangemerkt voor btw-doeleinden. De omroep heeft hierop twee klachten ingediend bij de centrale rechter in economische en bestuurszaken (hierna: TEAC). Daarbij betoogt hij dat alle activiteiten moeten worden gekwalificeerd als economische activiteiten en dat hem daarom recht op aftrek van de over dat geheel van activiteiten betaalde voorbelasting dient te worden toegekend.


Overweging:

De vraag of de btw-vrijstelling voor handelingen van publiekrechtelijke lichamen kan worden uitgebreid naar overheidsvennootschappen of vennootschappen waarover de overheid zeggenschap uitoefent, is in Spanje al sinds de invoering van de belasting voorwerp van controverse. Bij de TEAC is een groot aantal klachten in behandeling met betrekking tot met overheidskapitaal gefinancierde handelsvennootschappen die zijn belast met de verrichting van openbare diensten. De TEAC twijfelt of ingevolge artikel 11 van de btw-richtlijn publiekrechtelijke lichamen, ook als zij op zichzelf niet btw-plichtig zijn, onderdeel kunnen zijn van dergelijke eenheden of van één enkele belastingplichtige. Indien een groep van btw-plichtigen kan worden aangemerkt als één enkele btw-plichtige, rijzen voornamelijk vragen m.b.t. de verwevenheid die tussen deze lichamen moet bestaan, willen zij als zodanig worden aangemerkt. Volgens de TEAC verschillen de vragen die thans worden voorgelegd aan het Hof van de vragen in C-174/14 en C-182/17. Daarin waren de artikelen 9 en 13 van de btw-richtlijn onderwerp. In casu gaat het om artikel 11 van deze richtlijn, dat een wezenlijk andere inhoud heeft.


Prejudiciële vragen:

1. Kunnen ondernemingen zoals beschreven, samen met de publiekrechtelijke lichamen waardoor zij zijn opgericht, voor btw-doeleinden worden beschouwd als één belastingplichtige in de zin van artikel 11 van richtlijn 2006/112/EG?

2. Zo ja, kan de financiering die deze ondernemingen ontvangen van de publiekrechtelijke lichamen waardoor zij zijn opgericht dan in geen geval worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de verrichting van aan btw onderworpen diensten?

3. Wat de aftrek van door deze ondernemingen betaalde voorbelasting betreft, moet het aftrekbare bedrag worden bepaald door de enige belastingplichtige als zodanig, met toepassing van artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG en op basis van de door hem ontplooide activiteiten?

4. Wat in het bijzonder de activiteiten als publieke omroep betreft – aangenomen dat deze activiteiten een duale aard kunnen hebben en dat de betrokken ondernemingen, samen met de publiekrechtelijke lichamen die een meerderheidsdeelneming in hun kapitaal hebben, als één belastingplichtige worden beschouwd –, is slechts het deel van de betaalde voorbelasting aftrekbaar dat kan worden geacht verband te houden met hun economische activiteit?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-85/11 Commissie/Ierland; C-86/11 Commissie/Verenigd Koninkrijk; C-95/11 Commissie/Denemarken; C-109/11 Commissie/Tsjechische Republiek; C-174/14 Saudaçor; C-182/17 Ntp. Nagyszénás; C-11/15 Cesky rozhlas.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
​​​​​​​