C-697/20 Dyrektor Izby Skarbowej w L.

Contentverzamelaar

Terug C-697/20 Dyrektor Izby Skarbowej w L.

Prejudiciële hofzaak C-697/20 Dyrektor Izby Skarbowej w L.  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     9 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     23 april 2021

Trefwoorden : btw; landbouw;

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster en haar echtgenoot hebben op hun perceel - dat tot hun gemeenschappelijke huwelijksvermogen behoort – 6 pluimveestallen staan. Beide echtgenoten exploiteren daarin bijzondere landbouwproductieafdelingen voor het fokken van mestkippen. Verzoekster gebruikt hiervoor 2 van de 6 gebouwen. De overige 4 gebouwen worden gebruikt door haar echtgenoot. Op 31-12-2010 heeft verzoekster een registratieaangifte ter zake van de btw ingediend waarbij zij met ingang van 01-01-2011  heeft afgezien van de belastingvrijstelling en heeft gekozen voor een maandelijks belastingtijdvak, terwijl haar echtgenoot als forfaitair belaste landbouwer vrijstelling is blijven genieten. In 2016 heeft verzoekster (voor de tweede keer) correcties ingediend van haar btw-aangiften voor 2011 met een verzoek tot vaststelling van te veel betaalde btw. Dit werd afgewezen door de lagere belastingautoriteit. Verzoekster diende hierop bezwaar in; de bezwaarinstantie bevestigde het besluit van de lagere autoriteit met betrekking tot de weigering tot vaststelling van het te veel betaalde bedrag. Nadat verzoekster daartegen beroep had ingesteld bij de rechter in eerste aanleg, heeft deze rechterlijke instantie het ingestelde beroep verworpen op grond dat, wanneer een landbouwbedrijf de gezamenlijke eigendom van meerdere personen vormt, slechts één van deze personen als actief btw-plichtige kan worden beschouwd. Aangezien verzoekster een registratieaangifte met ingang van 01-01-2011 heeft gedaan, is zij de actieve btw-plichtige uit hoofde van de door haar uitgeoefende landbouwactiviteit en voldoet zij deze belasting volgens de algemene regels. Verzoekster heeft daartegen cassatieberoep ingesteld.

Overweging:

Het kernprobleem is de vraag of, wat de btw betreft, het feit dat slechts één van de echtgenoten een registratieaangifte als actief belastingplichtige heeft gedaan gevolgen heeft voor de andere echtgenoot, die heeft verklaard een forfaitair belaste belastingplichtige te zijn, wanneer elk van de betrokken echtgenoten aangeeft in het tot hun gemeenschappelijke huwelijksvermogen behorende landbouwbedrijf een afzonderlijke activiteit op het gebied van bijzondere landbouwproductieafdelingen (het fokken van mestkippen) te verrichten. De tweede vraag houdt verband met de nationale praktijk van de verwijzende

rechter, volgens welke het niet mogelijk is om in het kader van één landbouwbedrijf twee statussen met elkaar te combineren. De derde vraag betreft de omstandigheid dat verzoekster in de loop van de procedure heeft verwezen naar de criteria van autonomie en onafhankelijkheid.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd), en met name de artikelen 9, 295 en 296 ervan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de nationale praktijk die op grond van artikel 15, leden 4 en 5, van de ustawa o podatku od towarów i usług (wet inzake de belasting op goederen en diensten) van 11 maart 2004 (Dz. U. 2011, nr. 177, volgnr. 1054, zoals gewijzigd) is ontstaan en die de mogelijkheid uitsluit om echtgenoten die in het kader van een landbouwbedrijf een landbouwactiviteit uitoefenen onder gebruikmaking van hun gemeenschappelijke huwelijksvermogen als afzonderlijke btw-plichtigen aan te merken?

2. Is het voor het antwoord op de eerste vraag van belang dat volgens de nationale praktijk de keuze van een van de echtgenoten voor belasting van de uitgeoefende activiteit krachtens de algemene btw-regeling tot gevolg heeft dat de andere echtgenoot de status van forfaitair belaste landbouwer verliest?

3. Is het voor het antwoord op de eerste vraag relevant dat het vermogen dat door elk van de echtgenoten op zelfstandige en onafhankelijke wijze ten behoeve van de uitgeoefende economische activiteit wordt gebruikt, duidelijk kan worden onderscheiden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie / Portugal C-524/10; C-340/15; C-321/02;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; LNV