C-698/20  Gmina Wieliszew

Contentverzamelaar

C-698/20  Gmina Wieliszew

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     5 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     19 april 2021

Trefwoorden : banken; insolventie; financiering Uniefondsen

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

-           Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999;

Feiten:

Verzoekster (de gemeente) heeft financiering verkregen uit fondsen van de Unie. De financiering is toegekend op basis van drie overeenkomsten. Het ging om bedragen die afkomstig waren van Europese fondsen die op specifieke doelstellingen zijn gericht en waarvan een deel de vergoeding van reeds door de gemeente gedane uitgaven vertegenwoordigde. De verkregen middelen zijn op afzonderlijke bankrekeningen van de gemeente bij de bank gestort. De bank heeft vier bankrekeningovereenkomsten gesloten met de gemeente. Bij beschikking van 30-12-2015 is de bank failliet verklaard met mogelijkheid van een akkoord, en vervolgens heeft de rechter bij beschikking van 22-02-2016 de faillissementsprocedure gewijzigd in een procedure van vereffening van het vermogen van de gefailleerde. De gemeente heeft een verzoek ingediend om van de failliete boedel van de bank een bedrag uit te sluiten van 2.439.813,70 PLN dat de gemeente heeft ontvangen als financiering in het kader van programma’s die uit de begroting van de Unie zijn medegefinancierd. Dit verzoek werd afgewezen. Bijgevolg heeft de gemeente in het kader van de tweede fase van de procedure tegen de curator van de failliete boedel een vordering ingesteld tot uitsluiting van een bedrag 2 439 814 PLN van de failliete boedel van de bank en tot afgifte ervan aan haar. Zij heeft haar vordering gebaseerd op artikel 63 van de faillissementswet. De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van de vordering. De rechters in eerste en tweede aanleg hebben het beroep en hoger beroep van verzoekster verworpen. Verzoekster heeft bij de verwijzende rechter beroep in cassatie ingesteld om vernietiging van het bestreden vonnis in zijn geheel te verkrijgen.

Overweging:

De verwijzende rechter verwijst naar de redenering van de twee feitenrechters. De rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat, aangezien de bank de eigendom had verworven van de geldmiddelen die waren gestort op de door haar beheerde bankrekeningen, niet was voldaan aan de voorwaarde om goederen van de failliete boedel uit te sluiten op grond van artikel 63 van de faillissementswet. De rechter in tweede aanleg benadrukte dat de vordering tot uitsluiting van goederen van de failliete boedel bestanddelen betreft die geen deel uitmaken van het vermogen van de gefailleerde en waarvan het de om uitsluiting verzoekende eiser is die het eigendomsrecht heeft. De verwijzende rechter gaat over op het stellen van de prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Moet verordening [nr. 1083/2006], in het bijzonder artikel 2, punt 5, de artikelen 3 en 4, artikel 57, lid 1, de artikelen 70 en 80 en de thans geldende verordening [nr. 1303/2013], in het bijzonder artikel 2, punt 15, artikel 37, lid 1, artikel 66, artikel 67, lid 1, artikel 74, lid 1, en artikel 89, lid 1, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die aan een entiteit die uit de begroting van de Unie afkomstige middelen heeft ontvangen, belet om zich met vrucht in rechte te beroepen op de uitsluiting van de failliete boedel van die middelen indien zij zijn gestort op een bankrekening die is geopend bij een bank die vervolgens failliet is verklaard, dan wel aan een nationale regeling die deze tegoeden niet uitsluit van de failliete boedel van de gefailleerde bank?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN; JenV