C-7/15 Kanageswaran

Contentverzamelaar

Terug C-7/15 Kanageswaran

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   26 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   12 maart 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   12 april 2015
Trefwoorden: bevriezing tegoeding (listing)

Onderwerp
Verordening (EG), nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme

Verzoeker wordt verdacht van lidmaatschap van een terroristische organisatie, de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) en in strijd met de wet op de buitenlandse handel donaties te hebben ingezameld voor deze organisatie. Hiermee heeft hij tevens in strijd gehandeld met Vo. 2580/2001; de LTTE staat op de bij die Vo. gevoegde lijst. Het in Oberhausen gevestigde coördinatiecentrum van LTTE heeft als belangrijkste taak het zoveel mogelijk binnenhalen van middelen voor de gewapende strijd in Sri Lanka. Verzoeker is gebiedsverantwoordelijk voor Bottrop. Het OM heeft geconstateerd dat verzoeker in de periode september 2007 – mei 2009 in 73 gevallen giften aan het coördinatiecentrum heeft overgedragen. Verzoeker verzoekt de behandelend rechter een vraag aan het HvJEU voor te leggen over geldigheid van het opnemen van LTTE op de lijst van Vo. 2580/2001 Hij meent dat opname ongeldig is omdat niet is voldaan aan de in het Gemeenschappelijk Standpunt en de Vo. gestelde voorwaarden voor plaatsing. Hij baseert zich op vier vrijwel identieke documenten van de Europese Raad waarin aan LTTE toegeschreven aanslagen worden opgesomd. Hij wijst voorts op arrest in de zaken T-208/11 en T-508/11 (waartegen overigens beroep is ingesteld door de Raad) waarbij diverse uitvoeringsverordeningen van de Raad nietig zijn verklaard voor zover de rechtshandelingen betrekking hebben op de LTTE. De overwegingen in T-208/11 en T-508/11 moeten worden toegepast op de hier beschreven rechtshandelingen van de Raad, zodat deze eveneens nietig zijn, daar sprake is van een schending van de motiveringsplicht. Het OM daarentegen meent dat de beslissende Vo. en de uitvoeringsVo. in de litigieuze periode rechtstreeks geldend recht waren zodat de (recentere) uitspraken van het HvJEU daarop niet van invloed kunnen zijn. Hij verzet zich echter niet tegen een prejudiciële vraag aan het HvJEU.

De verwijzende DUI rechter (Landgericht Essen) oordeelt dat hij alvorens te kunnen beslissen of de Vo. een geldige basis voor een strafrechtelijke veroordeling kan zijn een vraag aan het HvJEU moet voorleggen, die luidt als volgt:
“Is het opnemen van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE) op de lijst voorzien in artikel 2, lid 3, van verordening (EG), nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme voor de periode van 9 september 2007 tot en met 24 mei 2009, in het bijzonder op grond van de besluiten van de Raad van
– 29 mei 2006 (2006/379/EG),
– 28 juni 2007 (2007/445/EG),
– 20 december 2007 (2007/868/EG in de gerectificeerde versie van het besluit van dezelfde dag),
– 15 juli 2008 (2008/583/EG),
– 26 januari 2009 (2009/62/EG),
ongeldig?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-550/09 Istanbullu; T-208/11 en T-508/11 LTTE/Raad (nu in hb C-599/14 P)
Specifiek beleidsterrein: BZ

Gerelateerde documenten