C-700/20 London Steam-Ship Owners’ Mutual Insurance Association

Contentverzamelaar

C-700/20 London Steam-Ship Owners’ Mutual Insurance Association

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     5 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     19 april 2021

Trefwoorden : rechterlijke bevoegdheid; brexit;

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

-           Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

Feiten:

In november 2002 zonk voor de Spaanse kust een schip dat 70.000 ton stookolie vervoerde, met aanzienlijke verontreinigingsschade aan de Spaanse en Franse kust als gevolg. Het schip was gedekt door een onderlinge aansprakelijkheidsverzekeringspolis bij The London Steam-Ship Owners’ Mutual Insurance Association Limited (hierna: Club). Die overeenkomst omvatte een arbitrageovereenkomst naar Engels recht en omvatte ook een „pay-to-be-paid”-beding. In 2002 werd in Spanje een strafrechtelijke procedure ingeleid, in het kader waarvan tevens civielrechtelijke vorderingen werden ingediend door onder meer het Koninkrijk Spanje, waarbij schadevergoeding werd geëist van de Club. In januari 2012 is de Club in Londen een arbitrageprocedure gestart waaraan Spanje niet heeft deelgenomen. Het arbitraal vonnis luidde dat de vorderingen overeenkomstig de Engelse collisieregels werden gekwalificeerd als contractuele vorderingen. Als Spanje betaling van de Club wilde vorderen, moest het een arbitrageprocedure in Londen inleiden. In een gerechtelijke procedure, waartegen Spanje zich verzette, heeft de Commercial Court of the High Court of Justice of England and Wales een rechterlijke beslissing ten nadele van Spanje gegeven, waarin het arbitraal vonnis is overgenomen. Die beslissing is in hoger beroep bevestigd. Na een beslissing in eerste aanleg in 2013 en verschillende beroepsprocedures in 2016 en 2018, leidde de Spaanse procedure tot een tenuitvoerleggingsbevel. Op 25-03-2019 heeft Spanje overeenkomstig artikel 33 van verordening 44/2001 bij de High Court of Justice in Engeland en Wales een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van dat bevel, waartegen de Club overeenkomstig artikel 43 van verordening 44/2001 bij een andere rechter van de High Court of Justice een rechtsmiddel heeft ingesteld.

Overweging:

De vragen zijn nog niet uitdrukkelijk in de rechtspraak van het Hof aan de orde gesteld en rechtsgeleerde auteurs hebben hierover verschillende standpunten ingenomen. Verder zijn de vragen belangrijk en blijven zij ook relevant nadat het Verenigd Koninkrijk de EU heeft verlaten, aangezien soortgelijke kwesties zich ook zouden kunnen voordoen met betrekking tot andere lidstaten en/of in het kader van het Verdrag van Lugano, mocht het Verenigd Koninkrijk tot dit verdrag toetreden. Om deze redenen moeten volgens de verwijzende rechter drie prejudiciële vragen aan het Hof worden gesteld.

Prejudiciële vragen:

1) Kan, gelet op de aard van de kwesties die de nationale rechter moet beoordelen om te beslissen of hij een arbitraal vonnis overneemt in een rechterlijke beslissing op grond van Section 66 van de Arbitration Act 1996, een op grond van deze bepaling gegeven beslissing een ,beslissing’ van de aangezochte lidstaat vormen in de zin van artikel 34, lid 3, van verordening nr. 44/2001?

2) Wanneer een rechterlijke beslissing waarin een arbitraal vonnis is overgenomen, zoals een beslissing op grond van Section 66 van de Arbitration Act 1996, buiten de materiële werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt, op grond van de in artikel 1, lid 2, onder d), van die verordening opgenomen uitzondering voor arbitrage, kan een dergelijke beslissing dan een ,beslissing’ van de aangezochte lidstaat vormen in de zin van artikel 34, lid 3, van de verordening?

3) Indien de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing van een andere lidstaat een met de nationale openbare orde strijdige schending zouden opleveren van het beginsel van het gezag van gewijsde van een eerder, door een rechter in de aangezochte lidstaat gewezen nationaal arbitraal vonnis of van een eerdere nationale rechterlijke beslissing waarin een arbitraal vonnis is overgenomen, kan dan, ervan uitgaande dat artikel 34, lid 3, van verordening nr. 44/2001 niet van toepassing is, die erkenning of tenuitvoerlegging worden geweigerd op grond van artikel 34, lid 1, van verordening nr. 44/2001, of zijn de in artikel 34, leden 3 en 4, van de verordening opgesomde gronden op grond waarvan het gezag van gewijsde of de onverenigbaarheid aan de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing in de zin van de verordening in de weg kan staan, limitatief?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-414/92, Solo Kleinmotoren GmbH/Boch

Specifiek beleidsterrein: JenV