C-716/18 AJFP Caraş-Severin et DGRFP Timişoara

Contentverzamelaar

C-716/18 AJFP Caraş-Severin et DGRFP Timişoara

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 07 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 24 februari 2019

Trefwoorden: btw; hoofdactiviteit

Onderwerp:

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

- Uitvoeringsbesluit 2012/181/EU van de Raad van 26 maart 2012 waarbij Roemenië wordt gemachtigd een bijzondere maatregel te treffen die afwijkt van artikel 287 van richtlijn 2006/112;


Feiten:

Rekwirant oefent, naast zijn werkzaamheden als hoogleraar, diverse vrije beroepen uit (accountant, belastingconsulent, faillissementscurator en advocaat). Ook ontvangt hij af en toe inkomsten uit royalty’s. Bovendien bezit rekwirant een pand in mede-eigendom met een andere persoon. Sinds het jaar 2007 ontvangt rekwirant inkomsten uit de verhuur van dit vastgoed (verhuurd aan een handelsvennootschap waarvan rekwirant aandeelhouder en bestuurder is). In het jaar 2016 werd rekwirant onderworpen aan een belastinginspectie over de periode 01.01.2011 t/m 30.06.2016. AJFP stelde vast dat rekwirant in de loop van het jaar 2012 de maximale omzet van 220.000 RON (€65.000,-) had overschreden die was ingesteld voor de toepassing van de speciale vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, zodat hij zich als btw-plichtige had moeten laten inschrijven. AJFP heeft een deel van de inkomsten in aanmerking genomen (belastingconsulent, accountant en faillissementscurator, royalty’s, en huur). Niet meegenomen zijn de inkomsten van zijn werkzaamheden als hoogleraar en advocaat (onderworpen aan een specifieke belastingheffing). AJFP heeft vastgesteld dat in het jaar 2012 69% van de totale inkomsten van rekwirant zijn verkregen uit werkzaamheden als faillissementscurator. Daarom stelt AJFP dat de hoofdactiviteit die van faillissementscurator is geweest, alsmede dat de verhuur van het vastgoed niet kon worden aangemerkt als een met deze activiteit “samenhangende handeling”, om buiten de berekening van de omzet in het genoemde jaar te worden gehouden. Het administratieve bezwaar ingediend tegen de heffingsaanslag werd verworpen bij beslissing van 22.08.2017. Het tegen deze beslissing ingestelde administratieve beroep werd door de Tribunal Timiș verworpen bij het vonnis van 26.03.2018, waarin in wezen de argumenten van AJFP werden bekrachtigd. Tegen dit vonnis heeft rekwirant hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.


Overweging:

De rechtsvraag in casu is of de verhuring door rekwirant van het pand een “met de hoofdactiviteit samenhangende handeling” in de zin van de btw-richtlijn vormt, en of de uit deze handeling verkregen inkomsten in aanmerking dienen te worden genomen bij de berekening van de omzet op basis waarvan wordt bepaald of een belastingplichtige de verplichting heeft zich te laten inschrijven als btw-plichtige. Het vaststellen van de betekenis van de Unierechtelijke begrippen zal bijdragen tot het beslechten van het geschil, door het mogelijk te maken vast te stellen of AJFP de omzet wel of niet correct heeft berekend. Tevens wenst de verwijzende rechter te vernemen of voor het aanmerken van de handeling van verhuring als een handeling die “samenhangt” met een “hoofdactiviteit”, relevant is dat deze verhuring is verricht ten behoeve van een derde, een rechtspersoon in het kader waarvan rekwirant de hoedanigheid van aandeelhouder en bestuurder bezit, en die beroepsmatige activiteiten van dezelfde aard uitoefent als die waaruit rekwirant als natuurlijke persoon inkomsten verkrijgt.


Prejudiciële vragen:

1. Vereisen de bepalingen van artikel 288 [eerste alinea], punt 4, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), in omstandigheden zoals die in het onderhavige geding, waarin een natuurlijke persoon een economische activiteit verricht door het uitoefenen van meerdere vrije beroepen, alsmede door het verhuren van vastgoed, en aldus vaste inkomsten verwerft, dat een bepaalde beroepsactiviteit wordt aangemerkt als de hoofdactiviteit, zodat de verhuring kan worden aangemerkt als een daarmee samenhangende handeling, en zo ja, aan de hand van welke criteria zou deze hoofdactiviteit kunnen worden vastgesteld, of moeten zij zo worden uitgelegd dat het samenstel van beroepsactiviteiten door middel waarvan de economische activiteiten van deze natuurlijke persoon worden verricht, diens „hoofdactiviteit” vormen?

2. Ingeval het vastgoed dat door een natuurlijke persoon aan een derde wordt verhuurd, niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor het verrichten van de overige economische activiteiten van die natuurlijke persoon en het dus niet mogelijk is een verband vast te stellen tussen dat goed en het uitoefenen van de

verschillende beroepen van deze persoon, staan de bepalingen van artikel 288, [eerste alinea], punt 4, van richtlijn 2006/112 /EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), dan toe dat de verhuur wordt aangemerkt als „een met andere handelingen samenhangende handeling”, met als gevolg dat deze buiten de berekening wordt gehouden van de omzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de speciale vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen?

3. Is het in het in de tweede vraag beschreven geval voor de kwalificatie van de verhuring als „een met andere handelingen samenhangende handeling” relevant dat deze verhuring geschiedde ten behoeve van een derde, een rechtspersoon in het kader waarvan de natuurlijke persoon de hoedanigheid van aandeelhouder en bestuurder heeft, die zijn zetel heeft in dat pand en die beroepsactiviteiten van dezelfde aard als die van de natuurlijke persoon in kwestie verricht?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Régie dauphinoise C-306/94; NCC Construction Danmark C-174/08; Nordania Finans en BG Factoring C-98/07; EDM C-77/01; Kostov C-62/12.


Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal
​​​​​​​