C-718/21 Krajowa Rada Sadownictwa

Contentverzamelaar

C-718/21 Krajowa Rada Sadownictwa

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 februari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    27 maart 2022

Trefwoorden : onafhankelijkheid rechters, pensioengerechtigde leeftijd, ambt van rechter

Onderwerp : Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU

Feiten:

Het bij de hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen (SN) ingestelde beroep is gericht tegen het besluit van de nationale raad voor de rechtspraak, (KRS) tot beëindiging van de procedure inzake de verdere uitoefening van het ambt van rechter na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door L.G. (rechter in eerste of tweede aanleg K., Polen). In de motivering van het besluit staat te lezen dat L.G. bij brief van 30-12-2020 tegenover de KRS heeft verklaard dat hij voornemens was het ambt van rechter te blijven uitoefenen en dat hij 65 jaar oud zou worden op 12-06-2021. De verklaring, die vergezeld ging van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor de indiening ervan, is ingekomen bij het bureau van de KRS. De KRS heeft vastgesteld dat het door L.G. ingediende verzoek niet-ontvankelijk was aangezien dit verzoek buiten de wettelijke termijn was ingediend en dat de procedure inzake de verdere uitoefening van het ambt van rechter door een rechter die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, derhalve moest worden beëindigd. L.G. heeft beroep tegen dat besluit ingesteld en heeft verzocht om de vernietiging ervan alsmede om terugverwijzing van de zaak naar de KRS. L.G. beroept zich op een schending van de procedurele regels. Hij is van mening dat artikel 41 van de wet op de KRS is geschonden doordat de procedure inzake de verdere uitoefening van het ambt van rechter door een rechter die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, ten onrechte is beëindigd in een situatie waarin het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor de indiening van een verklaring gegrond was en dat derhalve sprake is van een schending van artikel 33, lid 1, van de wet op de KRS, aangezien het besluit is genomen zonder omvattend onderzoek van alle omstandigheden van de zaak, met name van de omstandigheden die verband houden met de volledige beoordeling van de loopbaan van de betrokken rechter.

Overweging:

Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof wijst de verwijzende rechter erop dat een tot het Poolse rechtsstelsel behorende rechterlijke instantie onderdeel is van het Poolse stelsel van rechtsmiddelen „op de onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Daarnaast wijst hij op de noodzaak van het bestaan van waarborgen ter bescherming van de onafhankelijkheid van de rechters, waaronder het beginsel van onafzetbaarheid van fundamenteel belang is. Bij de verwijzende rechter is twijfel gerezen over de vraag of, in het licht van de Unierechtelijke beginselen inzake de bescherming van de rechterlijke onafhankelijkheid, een ander orgaan dan de rechter zelf wat dit betreft een beoordelingsmarge toekomt en, derhalve, of een andere dan een formele toetsing van een dergelijke verklaring überhaupt legitiem is. Met betrekking tot de tweede vraag herinnert de verwijzende rechter eraan dat in de rechtspraak van de SN de opvatting is ontstaan dat de termijn van artikel 69, lid 1 van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties (p.u.s.p.) een bijzondere vervaltermijn is. Gelet op het voorgaande kan de KRS er niet mee instemmen dat een rechter zijn ambt blijft uitoefenen wanneer hij zijn verzoek na die datum heeft ingediend. indien een rechter zijn verzoek niet tijdig indient, treedt het materiële rechtsgevolg van pensionering in werking op de datum waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. De categorische uitsluiting van de mogelijkheid voor de KRS om zich inhoudelijk uit te spreken over een verklaring inzake het voornemen om het ambt van rechter te blijven uitoefenen wanneer deze verklaring is ingediend nadat de termijn van artikel 69, lid 1, p.u.s.p. is overschreden doet twijfel rijzen over de verenigbaarheid van een dergelijke uitsluiting met de Unierechtelijke beginselen van onafhankelijkheid en autonomie van de rechterlijke instanties.

Prejudiciële vragen:

1. Verzet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zich tegen een bepaling van nationaal recht als artikel 69, lid 1b, eerste volzin, van de ustawa-Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet inzake de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 ([...] Dz. U. 2020, volgnr. 2072), die de werkzaamheid van een verklaring van een rechter inzake zijn voornemen om het ambt van rechter te blijven uitoefenen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk stelt van de toestemming van een ander orgaan?

2. Verzet artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zich tegen de uitlegging van een nationale bepaling op grond waarvan een te laat ingediende verklaring van een rechter inzake zijn voornemen om het ambt van rechter te blijven uitoefenen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zonder gevolg blijft, ongeacht de omstandigheden waarin de gestelde termijn is overschreden en ongeacht het belang van deze overschrijding voor de procedure tot het verlenen van toestemming voor de verdere uitoefening van het ambt van rechter?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (C-192/18), Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C-791/19), W.Ż. (C-487/19), Asociaţia „Forumul Judecătorilor din România” e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19), Repubblika (C-896/19),

Specifiek beleidsterrein: JenV