C-721/20 DB Station & Service

Contentverzamelaar

C-721/20 DB Station & Service

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 februari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     8 april 2021

Trefwoorden : spoorwegen; spoorweginfrastructuur; kartel; bevoegdheid rechter

Onderwerp :

Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;

Feiten:

Verweerster (DB Station & Service AG) is een dochteronderneming van de Deutsche Bahn AG en een spoorweginfrastructuuronderneming in de zin van §2(1) van de algemene spoorwegwet (AEG). Zij onderhoudt ongeveer 5.400 stations in Duitsland. Verzoekster exploiteert een spoorwegvervoers-onderneming en gebruikt verweersters stations voor het reizigersvervoer per spoor. Partijen twisten over de hoogte van de gebruiksrechten die daarvoor moeten worden betaald. Verweerster sluit raaomovereenkomsten met de spoorwegvervoersondernemingen over het gebruik van stations. Daarin verwijst zij naar haar geldende tarief voor stations (hierna: SPS). Het individuele gebruik van de stations wordt geregeld in afzonderlijke overeenkomsten. Op 01-01-2005 heeft verweerster een nieuw tariefstelsel ingevoerd, SPS 05, dat het oorspronkelijk geldende SPS 99 verving. Verzoekster, voor wie door het nieuwe tariefstelsel prijsverhogingen ontstonden, betaalde de verhogingen vanaf 01-01-2005 enkel nog onder voorbehoud. Bij besluit van 10-12-2009 heeft de bevoegde toezichthoudende instantie, SPS 05 met ingang van 01-05-2010 ongeldig verklaard. Verweerster is tegen deze beslissing opgekomen. De bestuursrechter heeft tot op heden geen uitspraak gedaan in de hoofdzaak. Met haar bij de rechter in eerste aanleg ingestelde beroepen vordert verzoekster terugbetaling van de gebruiksrechten voor stations die zij voor de periode van november 2006 t/m december 2010 heeft betaald, voor zover deze bedragen hoger zijn dan de tarieven van SPS 99. De rechter heeft de vorderingen toegewezen met uitzondering van een deel van de rente. Inmiddels heeft de bevoegde instantie bij besluit van 11-10-2019 de verzoeken van verschillende spoorwegvervoersondernemingen om een toetsing achteraf van de op basis van het SPS 05 gevorderde rechten te verkrijgen, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing is echter (thans aanhangig) beroep ingesteld.

Overweging:

In de tussentijd heeft het Hof in een prejudiciële procedure met betrekking tot een vergelijkbaar geschil geoordeeld dat een billijkheidstoetsing van de heffing van rechten voor treinpaden door de gewone rechter niet los van het toezicht door de bevoegde toezichthoudende instantie mag plaatsvinden (C-489/15).

De beslissing ten gronde hangt af van de beantwoording van de prejudiciële vragen. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, zouden de beroepen kunnen worden verworpen op de enkele grond dat de billijkheid van de door verweerster gevorderde gebruiksrechten niet door de burgerlijke rechter kan worden getoetst. Van de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag hangt af of, voordat over de rechtsmiddelen van verweerster kan worden beslist, eerst moet worden gewacht tot het besluit van de bevoegde instantie van 11-10-2019 onherroepelijk is.

Prejudiciële vragen:

1) Is het verenigbaar met richtlijn 2001/14/EG – in het bijzonder met de bepalingen betreffende de beheersmatige onafhankelijkheid van de infrastructuuronderneming (artikel 4), de heffingsbeginselen (artikelen 7-12) en de taken van de toezichthoudende instantie (artikel 30) – dat de nationale civiele rechter per geval en los van het toezicht dat door de toezichthoudende instantie wordt uitgeoefend, de hoogte van de gevorderde gebruiksrechten toetst volgens de maatstaven van artikel 102 VWEU en/of het nationale kartelrecht?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Is een controle op misbruik door de nationale civiele rechter volgens de maatstaven van artikel 102 VWEU en/of het nationale kartelrecht ook geoorloofd en vereist, wanneer de spoorwegvervoersondernemingen de mogelijkheid hebben om de billijkheid van de betaalde gebruiksrechten te laten toetsen door de bevoegde toezichthoudende instantie? Moeten de nationale civiele rechters wachten op een desbetreffend besluit van de toezichthoudende instantie en, voor zover dat besluit in rechte wordt aangevochten, in voorkomend geval op de onherroepelijkheid daarvan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW; JenV