C-723/21 Stadt Frankfurt (Oder) et FWA

Contentverzamelaar

C-723/21 Stadt Frankfurt (Oder) et FWA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 januari 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    11 maart 2022

Trefwoorden : drinkwatervoorziening, sulfaatconcentratie, grenswaarde

Onderwerp :

-           Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (KRW)

-           Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water

Feiten:

Verzoekster sub 1 is verantwoordelijk voor de drinkwatervoorziening van ongeveer 57 000 inwoners. Om deze wettelijke taak te vervullen, maakt zij gebruik van de diensten van verzoekster sub 2. Deze exploiteert krachtens de aan haar afgegeven waterrechtelijke vergunning een waterleidingbedrijf. Het waterleidingbedrijf wint drinkwater uit het grondwater en de rivier de Spree in een gebied dat niet beschermd is in de zin van artikel 7, lid 3, tweede volzin, KRW. Het water uit de Spree heeft een hoog sulfaatgehalte. Het sulfaat is afkomstig van buiten bedrijf gestelde open groeven in het stroomgebied van de Spree. Voor het drinkwater in de waterleidingen geldt een grenswaarde voor sulfaat, waaraan het waterleidingbedrijf tot nog toe net voldoet. Het doel van deze grenswaarde is de bescherming van de leidingen tegen corrosie. De in geding geroepen partij zet na de stillegging van de dagbouw de door de bruinkoolwinning ontstane groeve onder water. Het meer dat na de onderwaterzetting ontstaat, moet een overlaat hebben. Het water dat over de overlaat heen stroomt, zal in de Spree terechtkomen en een aanzienlijk hogere sulfaatconcentratie hebben dan het water van de Spree.

Overweging:

Verzoeksters vrezen dat de sulfaatconcentratie in het water van de Spree, dat zich toch al op een kritiek niveau voor de waterwinning bevindt, door deze inleiding bij het stroomafwaarts gelegen onttrekkingspunt zal worden overschreden en dat zij de waterwinning daarom op deze plek zullen moeten staken of in technisch opzicht fundamenteel zullen moeten aanpassen. De verwerende instantie heeft de aanleg van het meer, met inbegrip van de overlaat, bij een plangoedkeuringsbesluit goedgekeurd, nadat zij op basis van een deskundigenonderzoek had vastgesteld dat geen verslechtering van het water van de Spree optreedt. Er is geen onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de sulfaatconcentratie bij het onttrekkingspunt en eventueel voor het waterleidingbedrijf. Verzoeksters hebben het onderhavige beroep tegen het plangoedkeuringsbesluit ingesteld.

Prejudiciële vragen:

1 a. Moet artikel 7, lid 3, van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (kaderrichtlijn water; hierna: „KRW”) aldus worden uitgelegd dat alle leden van het publiek dat rechtstreeks te maken krijgt met een project, in rechte kunnen opkomen tegen schendingen van de verplichting om

a) achteruitgang van de kwaliteit van waterlichamen die bestemd zijn voor de productie van drinkwater, te voorkomen,

b) het niveau van zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist, te verlagen, op grond van de bescherming van derden in het kader van het verbod op achteruitgang van het grondwater (zie arresten van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punten 132 en 133, en 3 oktober 2019, Wasserleitungsverband Nördliches Burgenland e.a., C-197/18, EU:C:2019:824, punten 40 en 42)?

1 b. Indien de vraag onder a) ontkennend moet worden beantwoord:

Kunnen in elk geval verzoekers die met de productie en zuivering van drinkwater zijn belast, opkomen tegen schendingen van het verbod en de voorschriften van artikel 7, lid 3, KRW?

2. Behelst artikel 7, lid 3, KRW ook voor waterlichamen buiten beschermde gebieden in de zin van artikel 7, lid 3, tweede volzin, KRW, naast de taak om in beheerplannen en maatregelenprogramma’s langetermijnplanningen op te nemen, een met artikel 4 KRW vergelijkbare verplichting om de vergunning voor concrete projecten te weigeren als er sprake is van schending van het verbod op achteruitgang (zie arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punt 75)?

3. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat in artikel 7, lid 3, KRW – in tegenstelling tot bijlage V bij artikel 4 KRW – geen eigen referentiewaarden voor de beoordeling van het verbod op achteruitgang zijn vastgelegd:

a. Onder welke voorwaarden dient te worden aangenomen dat het waterlichaam achteruitgaat en dat bijgevolg het niveau van zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist, wordt verhoogd?

b. Zouden de grenswaarden van bijlage I bij richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (hierna: „drinkwaterrichtlijn”) als relevant referentiepunt voor de verhoging van het zuiveringsniveau en dus voor het verbod op achteruitgang van artikel 7, lid 3, KRW kunnen dienen, zoals artikel 7, lid 2, laatste zinsnede, KRW suggereert?

c. Indien de vraag onder b) bevestigend moet worden beantwoord:

Kan er sprake zijn van schending van het verbod op achteruitgang van artikel 7, lid 3, KRW wanneer de enige significante waarde geen grenswaarde volgens deel A of deel B van bijlage I is, maar een zogenoemde indicatorparameter volgens deel C van bijlage I?

4. Wanneer moet een schending van het verbod op achteruitgang van de drinkwatertoestand in de zin van artikel 7, lid 3 KRW worden aangenomen (zie voor de norm van het verbod op achteruitgang van artikel 4 KRW: arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punt 119, en daarvoor het arrest van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-461/13, EU:C:2015:433, punt 52)?

a. Volstaat elke achteruitgang om aan te kunnen nemen dat er sprake is van schending of

b. moet het waarschijnlijk zijn dat de indicatorparameter voor sulfaat van 250 mg/l niet in acht wordt genomen of

c. moeten herstelmaatregelen in de zin van artikel 8, lid 6, van de drinkwaterrichtlijn dreigen waardoor de zuiveringskosten voor de productie van drinkwater stijgen?

5. Bevat artikel 7, lid 3, KRW niet alleen een materiële toetsingsnorm, maar bovendien ook voorwaarden voor de bestuurlijke goedkeuringsprocedure, en kan de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 4 KRW bijgevolg worden toegepast op de toetsingsomvang van artikel 7, lid 3, KRW (zie arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, tweede prejudiciële vraag)?

6. Moet de opdrachtgever ook reeds een deskundigenonderzoek naar mogelijke schending van artikel 7, lid 3, KRW laten uitvoeren zodra het project kan resulteren in schending van de bepalingen van artikel 7, lid 3, KRW?

7. Dient in casu eveneens te worden aangenomen dat het onderzoek op het tijdstip van de waterrechtelijke beslissing beschikbaar moet zijn en dat bijgevolg een later, tijdens de gerechtelijke procedure uitgevoerd onderzoek de onrechtmatigheid van de waterrechtelijke vergunning niet ongedaan kan maken (zie arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punten 76 en 80 en volgende)?

8. Kan bij de afweging in het kader van de vergunningverlening ten gunste van het door het project nagestreefde doel worden afgeweken van het verbod en de voorschriften van artikel 7, lid 3, KRW, bijvoorbeeld wanneer de zuiveringskosten laag zijn of het doel van het project bijzonder belangrijk is?

9. Is artikel 4, lid 7, KRW van toepassing op artikel 7, lid 3, KRW?

10. Welke verplichtingen die verder gaan dan artikel 4 KRW vloeien voort uit artikel 7, lid 2, KRW, zodat daarmee rekening moet worden gehouden bij een goedkeuringsprocedure van het project?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Land Nordrhein-Westfalen (C-535/18), Wasserleitungsverband Nördliches Burgenland e.a. (C-197/18), Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland (C-461/13)

Specifiek beleidsterrein: IenW